Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201011207/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van artikel 1.4 in samenhang met artikel 2.20 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 1.4
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.1
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.17
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.19
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.20
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 6.1
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 6.12
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 6.43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4831
Milieurecht Totaal 2012/356
JOM 2011/509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011207/1/M2.

Datum uitspraak: 18 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Otterlo, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Otterlo,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van artikel 1.4 in samenhang met artikel 2.20 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief van 14 oktober 2010, bij de gemeente Ede ingekomen op 15 oktober 2010, bezwaar gemaakt. Daarbij heeft [appellante] het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het college heeft ingestemd met dat verzoek en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en [belanghebbenden] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, en ir. W. Schoonderbeek, en het college, vertegenwoordigd door S. Bougarfa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden] in persoon en bijgestaan door mr. M.M. Breukers, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 4 februari 2003 heeft het college bij nadere eis, in afwijking van de voorschriften 1.1.1. en 1.1.2. van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (oud), vastgesteld dat het equivalente geluidniveau vanwege de recreatie-inrichting [appellante] op de gevels van de aangrenzende woonbebouwing niet hoger mag zijn dan 40 dB(A) tussen 7.00 en 19.00 uur, 35 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur en 30 dB(A) tussen 23.00 en 7.00 uur. Bij besluit op bezwaar van 13 juli 2004 heeft het college in aanvulling daarop bepaald dat het piekgeluid vanwege de inrichting op de gevels niet hoger mag zijn dan 60 dB(A) van 7.00 tot 20.00 uur, 55 dB(A) van 20.00 tot 23.00 uur, en 50 dB(A) van 23.00 tot 7.00 uur.

Met deze nadere eisen is beoogd aan omwonenden, in het bijzonder de bewoners van een nabij het tot de inrichting behorende zwembad gelegen woning, bescherming te bieden tegen

geluidhinder ten gevolge van het stemgeluid van bezoekers van dit zwembad.

2.2. De last onder dwangsom is opgelegd wegens op 2 juli 2010 en 7 juli 2010 geconstateerde overschrijdingen van de bij nadere eis vastgestelde grenswaarden van het equivalente geluidsniveau.

2.3. [appellante] betoogt allereerst dat op grond van het overgangsrecht van artikel 6.1, tweede lid, van het Activiteitenbesluit de nadere eisen niet kunnen worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, aangezien het college op grond van artikel 2.20 niet bevoegd is maatwerkvoorschriften te stellen voor het stemgeluid van bezoekers van het zwembad. Zij stelt dat de nadere eisen met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit daarom zijn komen te vervallen. Het college is derhalve niet bevoegd om handhavend op te treden.

2.3.1. Het college stelt dat de nadere eisen ingevolge artikel 6.1 van het Activiteitenbesluit thans gelden als maatwerkvoorschriften omdat het ook bevoegd is maatwerkvoorschriften te stellen voor het stemgeluid van bezoekers van het zwembad. Het college stelt hiertoe dat met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet is beoogd het regime en dus het beschermingsniveau van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer te wijzigen. Verder is volgens het college in dit geval sprake van een binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, zodat het stemgeluid moet worden meegenomen bij het bepalen van de geluidniveaus.

2.3.2. Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, worden de nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 2.1 op grond van de besluiten als bedoeld in artikel 6.43, in werking en onherroepelijk waren, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

In artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit is onder meer het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen genoemd.

In de artikelen 2.17, 2.19 en 6.12 van het Activiteitenbesluit zijn grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau vanwege een inrichting.

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, kan, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 6.12 het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau vaststellen.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder b, blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in onder meer artikel 2.20, buiten beschouwing het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder a blijft buiten beschouwing het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

2.3.3. Als onbestreden staat vast dat het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing is. Het stemgeluid van de bezoekers van het zwembad moet worden aangemerkt als stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder b. Dit betekent dat bij het bepalen van de geluidsniveaus in een maatwerkvoorschrift het stemgeluid van die bezoekers niet mag worden betrokken. Het begrip binnenterrein, waarnaar het college verwijst, ziet op het gestelde in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, welke bepaling hier niet van toepassing is.

Uit het vorenstaande volgt dat het college niet bevoegd is maatwerkvoorschriften vast te stellen voor het stemgeluid van de bezoekers van het zwembad. Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, kunnen de nadere eisen derhalve niet worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. De nadere eisen zijn vervallen op het moment van de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit. Het college was derhalve niet bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 5:32 van de Awb worden vernietigd.

De overige beroepsgronden behoeven in verband hiermee geen bespreking.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van het verzoek van [appellante] om het college te veroordelen in de reiskosten van een door haar ter zitting meegebrachte deskundige, overweegt de Afdeling dat dit verzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt reeds omdat van het meebrengen van een deskundige niet overeenkomstig artikel 8.60, vierde lid, van de Awb mededeling is gedaan.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 14 september 2010, kenmerk 636479;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 909,00 (zegge: negenhonderdnegen euro), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011

190-684.