Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201008202/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de blokhut op het perceel [locatie], te Lunteren, gemeente Ede, te slopen, dan wel te verwijderen en van het perceel verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 1
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008202/1/H1.

Datum uitspraak: 18 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juli 2010 in zaak nr. 09/3593 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de blokhut op het perceel [locatie], te Lunteren, gemeente Ede, te slopen, dan wel te verwijderen en van het perceel verwijderd te houden.

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 april 2009 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.K.W. van den Berg, advocaat te Leusden, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Bougarfa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst. Bij brief van 25 maart 2011 heeft het college op verzoek van de Afdeling nadere informatie verstrekt. Bij brief van 14 april 2011 heeft [appellant] hierop een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door het college verleende bouwvergunning.

Ingevolge het tweede lid is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Omgeving de Goudsberg, Hessenweg 85 te Lunteren" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de subbestemming "kampeerterrein (Rk)".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Recreatie doeleinden (R)" bestemd voor doeleinden verband houdende met de actieve en passieve recreatie.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de subbestemming "Rk" uitsluitend bestemd voor kamperen. Het kamperen mag alleen geschieden in voor recreatief verblijf geschikte stacaravans, tourcaravans, tenten en ander soortgelijke accommodaties, voor zover deze niet zijn aan te merken als een bouwwerk.

Ingevolge artikel 1, elfde lid, is een bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge het dertiende lid, is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge het negentiende lid, is een recreatiewoonverblijf een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen groep van personen dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, te worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe voert hij aan dat ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Woningwet, voor de bouw van de blokhut geen bouwvergunning was vereist, nu deze is bedoeld voor recreatief nachtverblijf en vergelijkbaar is met een stacaravan.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, wordt verstaan onder bouwen: het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Gelet hierop en op het feit dat in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven, is zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1; Gst. 2002, 7172, 11), bij herhaling aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van het begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

2.2.2. De blokhut heeft een lengte van 6 m en een breedte van 4 m, is op tegels geplaatst en voorzien van een terras. Voorts is de blokhut voorzien van een kapconstructie, bestaande uit een zadeldak en dakoverstekken, gestut door palen. Nu de blokhut een constructie is van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, en is bedoeld om ter plaatse te functioneren, staat vast dat de blokhut een bouwwerk is in de zin van de Woningwet. Voor zover [appellant] betoogt dat de blokhut vergelijkbaar is met een stacaravan, staat vast dat de accommodatie, gelet op de constructie en het ontbreken van een as en wielen en in aanmerking genomen dat het bouwwerk evenmin geschikt is om in de huidige vorm over de weg te worden vervoerd, geen stacaravan is. De accommodatie wordt voorts niet als zodanig genoemd in artikel 40, tweede lid, van de Woningwet.

Niet in geschil is dat de blokhut door [appellant] zonder bouwvergunning is opgericht, hetgeen in strijd is met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college bevoegd was handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden gebruik heeft kunnen maken. Daartoe voert hij aan dat concreet zicht op legalisering bestaat omdat de blokhut als een andere soortgelijke accommodatie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften moet worden aangemerkt. Voorts doet [appellant] een beroep op het gelijkheidsbeginsel en betoogt hij dat handhavend optreden onevenredig is.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de blokhut gelet op de constructie, omvang, verschijningsvorm en het plaatsgebonden karakter daarvan in aanmerking genomen, niet als een andere soortgelijke accommodatie, niet zijnde een bouwwerk, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften kan worden aangemerkt maar als een recreatiewoonverblijf als bedoeld in artikel 1, negentiende lid, van de planvoorschriften dat alleen, mits vergund, is toegestaan op gronden met de subbestemming "Rw". Deze uitleg van de planvoorschriften komt de Afdeling niet onjuist voor. Voorts heeft het college zich onbestreden op het standpunt gesteld dat het niet bereid is vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Nu het college, gelet op het vooroverwogene, niet bereid is de blokhut in deze vorm ter plaatse te legaliseren, is van een concreet zicht op legalisatie geen sprake.

2.4.2. Ter zitting is het betoog van [appellant] aan de orde geweest dat op het park, waar het perceel is gelegen, vergelijkbare accommodaties zonder bouwvergunning zijn geplaatst, waartegen het college beweerdelijk niet handhavend optreedt. In dit verband zijn concrete voorbeelden door [appellant] naar voren gebracht. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college in de brief van 25 maart 2011 gereageerd op de door [appellant] genoemde gevallen en gemotiveerd uiteengezet dat het reeds handhavend heeft opgetreden tegen een vergelijkbare accommodatie en voorts dat diverse handhavingstrajecten zijn ingezet tegen vergelijkbare accommodaties welke nog niet zijn afgerond. Verder heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat onlangs een inspectie op het park heeft plaatsgevonden waarbij overtredingen zijn geconstateerd en dat het voornemens is daartegen handhavend op te treden. Het college heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat het in vergelijkbare gevallen handhavend optreedt. Voor zover [appellant] nog een aantal andere gevallen heeft aangeduid, wordt overwogen dat dit geen vergelijkbare gevallen zijn. De brief van [appellant] van 14 april 2011 geeft evenmin aanleiding voor de conclusie dat sprake is van gelijke gevallen, waarin niet handhavend wordt opgetreden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.4.3. Voorts heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat het treffen van handhavingsmaatregelen niet zodanig onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang dat om die reden van optreden in dit concrete geval behoort te worden afgezien. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat geen sprake is van een incidentele overtreding en dat de overtreding niet van geringe aard en ernst is.

Het betoog faalt.

2.5. Eerst in hoger beroep heeft [appellant] betoogd dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding tot de overtreding staat. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011

357-672.