Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201007592/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Villawijken 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007592/1/R1.

Datum uitspraak: 18 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P.J.C. Management Nederland B.V., gevestigd te Den Haag,

appellante,

en

de raad van de gemeente Wassenaar,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Villawijken 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft P.J.C. Management Nederland B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

P.J.C. Management Nederland B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2011, waar P.J.C. Management Nederland B.V., vertegenwoordigd door drs. P.J.C. Smulders, en de raad, vertegenwoordigd door drs. M.W.H. Mulder, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt een actueel ruimtelijk sturingskader te bieden om ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied in gewenste banen te leiden. Daarmee moet de bescherming van de cultuurhistorische en architectonisch waardevolle bebouwing, laan-, groen- en waterstructuren beter worden gewaarborgd. Het plan heeft een beheersmatig karakter omdat wordt ingezet op het behoud van het groene en dorpse karakter.

2.2. P.J.C. Management Nederland B.V. richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - 3 (sw-3)" voor het perceel Meijboomlaan 4-6. Zij betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een zelfstandige woonbestemming voor het pand Meijboomlaan 6. In dit kader voert zij aan dat de raad bij de voorbereiding van het plan onzorgvuldig onderzoek naar de bestaande situatie heeft gedaan, dat de toestand uit 1929/1930 nog steeds bestaat, dat de afzonderlijke woonfunctie nimmer verloren is gegaan en dat het pand Meijboomlaan 6 bij veel partijen, waaronder de gemeente zelf, als zelfstandige woning bekend is.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het pand Meijboomlaan 6 planologisch gezien geen afzonderlijke woning betreft, maar deel uitmaakt van het pand Meijboomlaan 4. Ook in het vorige bestemmingsplan "Rijksdorp" uit 1982 was de woning Meijboomlaan 4 als eengezinshuis bestemd. De aanpandige voormalige personeelswoning, het gedeelte met nummer 6, maakte blijkens de plankaart deel uit van die bestemming. Het pand is al decennialang niet in gebruik als (personeels)woning. Uit de gemeentelijke registers blijkt verder niet van zelfstandige bewoning. Indien aan de wens van P.J.C. Management Nederland B.V. tegemoet wordt gekomen kan dit leiden tot een toename van de woning met ongeveer 200 m² en een bijgebouw van 70 m², aldus de raad. Een dergelijke toename aan bebouwing met bijbehorende verharding is binnen dit gebied met natuur- en landschapswaarden ongewenst.

2.4. Aan het perceel Meijboomlaan 4-6 is de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(sw-3)" toegekend. Daarbij is voor het perceel voorts voorzien in de verklaring "bestaande bebouwing".

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Wonen-2 (W-2)" aangewezen gronden onder meer bestemd voor eengezinswoningen, nader aangeduid met "(sw-1)" tot en met "(sw-4)", en bijgebouwen.

Ingevolge lid 18.2, voor zover hier van belang, mag één eengezinswoning worden gebouwd op de plaats waar in de verbeelding een bestaande woning staat aangegeven. Bij iedere woning zijn maximaal twee vrijstaande bijgebouwen toegestaan.

Ingevolge artikel 1 wordt onder bestaande bebouwing verstaan: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel [lees: bebouwing welke] mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning. Deze definitie geldt ook voor een bestaande woning.

2.4.1. Volgens de plantoelichting wordt met het plan beoogd de ruimtelijke structuur van het plangebied als geheel in stand te houden. De ruimtelijke structuur is vooral kwetsbaar voor verdichting en versnippering. Verdichting door bebouwing gaat ten koste van het alom gewaardeerde extensieve beeld van de villawijken; daarom worden ten opzichte van bestaande planologische rechten in principe geen extra bouwmogelijkheden opgenomen. Vergroting van bouwvolumes is denkbaar op heel extensieve woonpercelen. Aan de hand van de karakteristiek van de omgeving, de ruimtelijke structuur en de perceelsgrootte kan worden bepaald welke woninggrootte mogelijk is. Op perceelsniveau is het belangrijk dat de groene randen van (woon)percelen zoveel mogelijk in stand blijven. Daarom worden voorwaarden gesteld aan de plaats waar bijgebouwen en zwembaden kunnen worden gebouwd en wordt de aanleg van verhardingen en in- en uitritten beperkt.

Voorts staat in de plantoelichting dat de situering en het verschil in grootte van woningen in veel gevallen een cultuurhistorische achtergrond hebben. Het is van belang dat deze diversiteit in stand blijft. De maximaal toegestane oppervlakte van woningen en eventueel daarmee samenhangende uitbreidingsmogelijkheden zijn daarom gerelateerd aan die cultuurhistorische achtergrond in samenhang met de karakteristiek van de omgeving, de ruimtelijke structuur en de perceelsgrootte. Splitsing in meerdere wooneenheden wordt niet toegestaan.

2.5. Onder het vorige bestemmingsplan was op het perceel slechts één woning toegestaan zodat het thans voorliggende plan in zoverre geen verandering behelst. In 1925 heeft het college van burgemeester en wethouders een vergunning verleend voor het bouwen van een landhuis met garage en kantoor op het perceel. Uit de ontstaansgeschiedenis van het landhuis op het perceel volgt dat dit destijds als één geheel is vergund. Het gedeelte dat thans bekend is als Meijboomlaan 6, is met een oppervlakte van ongeveer 30-40 m² verhoudingsgewijs zeer beperkt van omvang. Niet in geschil is dat het inpandige gedeelte Meijboomlaan 6 als personeelsverblijf was ingericht en daarvoor in gebruik is geweest. Niet is gebleken van vergunningen die voorzien in het mogelijk maken van een geheel los van het landhuis bestaande inpandige woonmogelijkheid. Gelet op het vorenstaande heeft de raad het geheel, evenals het geval was in het vorige bestemmingsplan, in redelijkheid als één woning kunnen aanmerken. De omstandigheden dat het pand Meijboomlaan 6 bij verschillende zoekmogelijkheden zoals de Telefoongids en de routeplanner, bekend is en het gedeelte Meijboomlaan 6 zelfstandig bewoonbaar is en gedurende zekere perioden als zodanig is gebruikt, maken dat niet anders. Ook aan de omstandigheid dat beide gedeelten van het landhuis kadastraal zijn gesplitst, namelijk nummer 4 van Smulders en nummer 6 van P.J.C. Management Nederland B.V., heeft de raad geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Evenmin wordt in de andere door P.J.C. Management Nederland B.V. gestelde omstandigheden aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat in planologisch opzicht sprake is van één woning.

2.6. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanduiden van twee woningen op het perceel Meijboomlaan 4-6 niet gewenst is vanwege de extra bouwmogelijkheden die dit met zich zou brengen. Hij heeft in dit verband een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van het behoud van de natuur- en landschapswaarden dan aan het belang van P.J.C. Management Nederland B.V. om te komen tot een in planologisch opzicht tweede woning met extra bouwmogelijkheden.

2.7. In hetgeen P.J.C. Management Nederland B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011

371-649.