Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201009978/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN9789, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2007 heeft het dagelijks bestuur aan Pellikaan Bouwbedrijf B.V. (hierna: Pellikaan) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tennispark en fitnesscentrum op het perceel Overschiestraat TT te Amsterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009978/1/H1.

Datum uitspraak: 18 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Health City Beheer B.V., gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2010 in zaak nrs. 08/2850 en 09/1061 in het geding tussen:

Health City

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart, thans stadsdeel

Nieuw-West.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2007 heeft het dagelijks bestuur aan Pellikaan Bouwbedrijf B.V. (hierna: Pellikaan) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tennispark en fitnesscentrum op het perceel Overschiestraat TT te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur het door Health City daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur aan Pellikaan bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van het gebouw Pellikaan Health en Raquet Club op het perceel.

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur het door Health City daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2010, verzonden op 6 september 2010, heeft de rechtbank de door Health City tegen de besluiten van 10 juni 2008 en 3 februari 2009 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Health City bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 november 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2011, waar Health City, vertegenwoordigd door R. Moos, bijgestaan door mr. B.M. Sadza, advocaat te Heerlen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.E.A. Mendels, mr. A.D. Jansen en L. de Coninck, allen werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen. Tevens is Pellikaan, vertegenwoordigd door mr. D. van Tilborg, advocaat te Breda, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een sportcomplex, waarin naast tien binnen- en vijfentwintig buitentennisbanen, een sporthal, een fitness- en wellnessruimte, vier squashbanen, een horecaruimte, een crèche, kantoorruimte en een sportmedisch centrum zijn voorzien. Het bouwplan voorziet voorts in 250 parkeerplaatsen.

2.2. Op grond van de ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Partiële herziening van het westelijke gedeelte van het algemeen uitbreidingsplan" (hierna: de partiële herziening) rust op het perceel gedeeltelijk de bestemming "Sportterreinen" en gedeeltelijk de bestemming "Parken, plantsoenen, enz.". In de partiële herziening zijn voor deze bestemmingen geen doeleindenomschrijving, noch gebruiks- en bebouwingsvoorschriften opgenomen.

2.3. Health City betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de partiële herziening. Zij voert daartoe aan dat onder de bestemming "Sportterreinen" geen gebouwen ten behoeve van de binnensport vallen. Volgens Health City kan het begrip "sportterrein" taalkundig en planologisch slechts worden opgevat als een terrein bedoeld voor de buitensport, welke betekenis volgens haar tevens in overeenstemming is met de bedoeling van de planwetgever bij de totstandkoming van de partiële herziening in 1950. Binnensport was destijds volgens Health City maatschappelijk nog een onbekend fenomeen. De rechtbank heeft daarom volgens haar bij de vaststelling van de betekenis van het begrip "sportterrein" ten onrechte aansluiting gezocht bij de huidige maatschappelijke behoefte. Bovendien bestaat volgens haar aan het in het bouwplan voorziene sportcomplex geen maatschappelijke behoefte.

Voorts voert Health City aan dat de horeca, de crèche en het sportmedisch centrum zeer omvangrijk zijn en derhalve niet als bij het sportcomplex behorende nevenvoorzieningen kunnen worden aangemerkt. Health City stelt verder dat het gebruik van deze voorzieningen in de toekomst eenvoudig kan worden gewijzigd en de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur daaraan ten onrechte geen beperkingen heeft gesteld in de verleende bouwvergunning.

Verder heeft de rechtbank volgens Health City miskend dat de aanleg van de in het bouwplan voorziene 250 parkeerplaatsen in strijd is met de bestemming "Parken, plantsoenen, enz.".

2.3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur de betekenis van de bestemming "Sportterreinen" terecht heeft verstaan in de zin dat deze zowel binnen- als buitensportbeoefening mogelijk maakt. De partiële herziening bestaat uit alleen een plankaart met legenda, waarin slechts op hoofdlijnen functies worden toebedeeld aan de daaronder vallende gebieden. Omdat de partiële herziening zo globaal is opgezet, biedt deze reeds om die reden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bestemming "Sportterreinen" zo moet worden uitgelegd, dat daarop slechts de beoefening van de buitensport zou zijn toegestaan.

Nu in de partiële herziening een doeleindenomschrijving van de bestemming "Sportterreinen" ontbreekt en dat begrip ook niet nader is omschreven, heeft de rechtbank voor de uitleg daarvan terecht aansluiting gezocht bij het normale spraakgebruik. Anders dan Health City betoogt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat onder het begrip "sport" zowel binnensport als buitensport mag worden verstaan. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat ook de betekenis van het begrip "terrein" binnensport niet uitsluit. Evenals bij andere bestemmingen waarin dit begrip voorkomt, zoals "industrieterrein" en "bedrijventerrein", heeft het begrip "terrein" slechts betrekking op de activiteiten die ter plaatse mogen worden verricht.

Nu de beperkte uitleg zoals Health City die voorstaat, niet uit de partiële herziening kan worden afgeleid en de rechtbank terecht heeft overwogen dat de partiële herziening ook overigens geen positieve indicatie bevat dat de planwetgever uitsluitend buitensport binnen deze bestemming mogelijk heeft willen maken, bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat alleen die beperkte betekenis kan zijn bedoeld door de planwetgever.

Het argument van Health City dat geen maatschappelijke behoefte bestaat aan het in het bouwplan voorziene sportcomplex, kan evenmin slagen, nu dit, daargelaten de juistheid ervan, niet relevant is voor de vraag of het bouwplan past in het bestemmingsplan en of daarvoor terecht bouwvergunning is verleend.

2.3.2. De rechtbank heeft het dagelijks bestuur voorts terecht gevolgd in het standpunt dat de in het bouwplan voorziene horecagelegenheid, de crèche en het sportmedisch centrum, kunnen worden aangemerkt als bij het sportcomplex behorende nevenvoorzieningen. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat deze voorzieningen wat oppervlakte betreft slechts een klein deel uitmaken van het totale complex. Voorts zijn deze voorzieningen in functioneel opzicht ondergeschikt, nu deze geen zelfstandige functie hebben, maar ondersteunend zijn voor de sportvoorzieningen en uitsluitend zullen worden gebruikt door de gebruikers van de sportvoorzieningen. Voorzover Health City vreest voor met de partiële herziening strijdig gebruik van de nevenvoorzieningen in de toekomst, kan zij in voorkomend geval bij het dagelijks bestuur een verzoek om handhaving indienen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in verband daarmee beperkende voorwaarden aan de bouwvergunning had moeten verbinden.

2.3.3. Verder heeft de rechtbank het standpunt van Health City dat de aanleg van de in het bouwplan voorziene parkeerplaatsen in strijd is met de bestemming "Parken, plantsoenen, enz.", terecht verworpen, nu voor de aanleg van de parkeerplaatsen geen bouwvergunning is vereist en er in de partiële herziening noch een gebruiksverbod, noch een aanlegvergunningvereiste is opgenomen.

2.3.4. Het betoog faalt.

2.4. Health City betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij haar beroepsgrond dat niet is voldaan aan de parkeernormen, althans dat dit niet verifieerbaar is, niet heeft onderbouwd. Daartoe verwijst zij naar eerder door haar in het geding gebrachte stukken.

2.4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat Health City niet heeft onderbouwd, waarom sprake zou zijn van strijd met de van toepassing zijnde parkeernormen. Nu het dagelijks bestuur dit standpunt van Health City in het besluit op bezwaar van 3 februari 2009 gemotiveerd heeft weersproken, had het op de weg van Health City gelegen om in beroep met gegevens of bescheiden aan te geven waarom haar standpunt niettemin stand kan houden. Dit heeft zij nagelaten. De enkele volharding bij het eerder ingenomen standpunt volstaat daartoe niet.

Het betoog faalt.

2.5. Health City betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur geen nader onderzoek heeft hoeven doen naar de mogelijke effecten van het bouwplan op de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit onderzoek had volgens haar dienen plaats te vinden, gezien de te verwachten grote verkeersaantrekkende werking van het bouwplan.

2.5.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2006 in zaak nr. 200506735/1, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat strijd met de wettelijke normen inzake luchtkwaliteit geen grond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet oplevert voor weigering van een bouwvergunning.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011

531-641.