Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201101204/1/M1 en 201101204/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2010 heeft het college aan SMD een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de op- en overslag van brandbare vloeistoffen, een onbemand tankstation en kantoor op het perceel aan de Handelskade 3 te Gorinchem.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101204/1/M1 en 201101204/2/M1.

Datum uitspraak: 10 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMD Handel en Distributie B.V., gevestigd te Gorinchem,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2010 heeft het college aan SMD een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de op- en overslag van brandbare vloeistoffen, een onbemand tankstation en kantoor op het perceel aan de Handelskade 3 te Gorinchem.

Tegen dit besluit heeft SMD bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2011, heeft SMD de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 februari 2011, waar SMD, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, K.F. Capelle en V.V. Besselink en het college, vertegenwoordigd door H.G.J. Scholts en H. de Bruin, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. In de inrichting aan de Handelskade 3 te Gorinchem worden diesel, rode gasolie en petroleum op- en overgeslagen. In een aantal gevallen wordt diesel getankt in tankwagens die daarvoor benzine vervoerd hebben. Bij het tanken komt in dat geval benzinedamp vrij, die benzeen bevat. Het college heeft vanwege de benzeenemissie de voorschriften 15.1.2, 15.1.3 en 15.1.4 aan de vergunning verbonden.

2.3. Ingevolge voorschrift 15.1.2 mag bij het beladen van de tankwagens waarvan de voorlading benzine was, de benzeenemissie tot 1 januari 2015 niet meer bedragen dan 5 mg/m³ bij een grensmassastroom van 25 gram/uur. Vanaf 1 januari 2015 mag de benzeenemissie niet meer bedragen dan 1 mg/m³ bij een grensmassastroom van 2,5 gram/uur.

Ingevolge voorschrift 15.1.3 moet in verband met het voldoen aan de minimalisatieverplichting binnen drie maanden na het in werking treden van de beschikking een plan van aanpak ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn gezonden. Het plan van aanpak dient inzicht te verschaffen over de uitstoot, uitgevoerde maatregelen en onderzoek naar alternatieven of mogelijkheden om de benzeenemissie onder de eerder genoemde waarden te houden.

Ingevolge voorschrift 15.1.4 moeten de eventuele maatregelen en voorzieningen zijn gerealiseerd binnen zes maanden na goedkeuring van het plan van aanpak.

2.4. Ter zitting is vast komen te staan dat niet in geschil is dat de grenswaarde voor de periode tot 1 januari 2015 neergelegd in voorschrift 15.1.2 niet kan worden nageleefd. Voorts is niet in geschil dat naleving van de grenswaarde alleen van SMD kan worden gevergd indien dit mogelijk is door het toepassen van kosteneffectieve maatregelen. Het geschil spitst zich derhalve toe op voorschrift 15.1.3 en 15.1.4 betreffende het plan van aanpak en het installeren van een cryogene condensatie-installatie.

2.5. SMD stelt dat soortgelijke inrichtingen geen plan van aanpak hoeven op te stellen en dat SMD derhalve niet gelijk behandeld wordt met deze inrichtingen. Hierdoor heeft SMD naar eigen zeggen een nadelige concurrentiepositie in vergelijking met soortgelijke bedrijven.

2.5.1. Nu SMD uitsluitend heeft gewezen op gevallen in andere provincies ten aanzien waarvan het college niet bevoegd is en SMD niet heeft onderbouwd dat het college in gelijke gevallen dergelijke voorschriften niet aan een vergunning verbindt, faalt het betoog.

2.6. SMD stelt dat het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in voorschrift 15.1.3 zinledig is omdat al bekend is dat aanvullende maatregelen niet kosteneffectief kunnen worden getroffen. Volgens SMD kan de cryogene condensatie-installatie niet kosteneffectief gerealiseerd worden. Hiertoe voert zij aan dat de offerte van 2 februari 2010 van Ralton onjuist en onvolledig is. Volgens SMD wordt in de offerte ten onrechte uitgegaan van een installatie voor twee laadperrons. In de inrichting zijn drie laadperrons aanwezig, waar minimaal een maal per week gelijktijdig drie tankwagens met voorlading benzine, diesel tanken, aldus SMD. Indien de installatie slechts op twee laadperrons komt, zullen de wachttijden oplopen en zal SMD naar eigen zeggen belemmerd worden in haar bedrijfsvoering. Voorts stelt SMD dat de installatie bij twee laadperrons niet kosteneffectief zal zijn, omdat in dat geval een extra medewerker zal moeten worden ingezet om de chauffeurs van de tankwagens te begeleiden bij het beladen.

2.6.1. Het college stelt dat SMD onvoldoende heeft onderbouwd dat de cryogene condensatie-installatie niet kosteneffectief kan worden uitgevoerd. Hiertoe voert het college aan dat SMD geen registratie heeft overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een maal per week drie tankwagens gelijktijdig diesel tanken. Volgens het college is, vanuit technisch oogpunt, de installatie voor twee tankwagens aansluitbaar op de drie aanwezige laadperrons. Hierdoor wordt de bewegingsvrijheid voor het bedrijf maximaal en is de kans op wachttijden geminimaliseerd, aldus het college.

2.6.2. Nu niet in geschil is dat voorschrift 15.1.2 niet kan worden nageleefd en naleving van dit voorschrift alleen van SMD kan worden gevergd indien dit mogelijk is door het treffen van kosteneffectieve maatregelen, heeft het voorschrift tot gevolg dat de blijkens de aanvraag beoogde bedrijfsvoering onmogelijk is, zodat het opnemen van dit voorschrift neerkomt op een weigering van de gevraagde vergunning. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer. Gelet op het voorgaande is het beroep in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit wat betreft voorschrift 15.1.2 vernietigd te worden. Nu voorschrift 15.1.3 nauw samenhangt met voorschrift 15.1.2, dient het bestreden besluit wat betreft voorschrift 15.1.3 tevens vernietigd te worden.

2.6.3. De voorzitter ziet aanleiding om te onderzoeken of met toepassing van artikel 8:72, aanhef en vierde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak kan worden voorzien en overweegt daartoe het volgende.

De voorzitter is van oordeel dat een normstelling voor benzeenemissie tot 1 januari 2015 redelijkerwijs niet noodzakelijk te achten is. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat het college vanaf februari 2005 heeft afgezien van een normstelling voor de betrokken benzeenemissie omdat toen nadere maatregelen niet te vergen waren. Voor de periode vanaf 1 januari 2015 moet dit naar het oordeel van de voorzitter anders worden beoordeeld, nu niet aannemelijk is gemaakt dat ook vanaf die datum niet aan de normstelling van 1 mg/m³ bij een grensmassastroom van 2,5 gram/uur voldaan kan worden. De voorzitter is voorts van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een plan van aanpak dient te worden opgesteld om inzicht te verschaffen in de uitstoot van benzeenemissie, uitgevoerde maatregelen en onderzoek naar alternatieven of mogelijkheden om de benzeenemissie te beperken. De voorzitter komt tot dit oordeel nu SMD niet overtuigend heeft aangetoond dat de realisatie van de cryogene condensatie-installatie niet kosteneffectief gerealiseerd kan worden. Hierbij heeft de voorzitter in ogenschouw genomen dat SMD niet aannemelijk heeft gemaakt dat het logistiek niet mogelijk is om met een installatie voor twee tankwagens drie laadperrons te bedienen noch dat een extra medewerker noodzakelijk is om de chauffeurs van de tankwagens met voorlading benzine bij het tanken van diesel te begeleiden.

2.7. Mede in het licht van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat het college voorschrift 15.1.4, dat ertoe strekt dat eventuele maatregelen en voorzieningen binnen zes maanden na goedkeuring van het plan van aanpak gerealiseerd zijn, in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten. Het beroep is op dit punt ongegrond.

2.8. De voorzitter zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem van 9 december 2010, kenmerk 2010032868, voor zover het de voorschriften 15.1.2 en15.1.3 betreft;

III. bepaalt dat de voorschriften 15.1.2 en 15.1.1 komen te luiden:

15.1.2

Bij het beladen van de tankwagens, waarvan de voorbelading benzine was, mag de benzeenemissie vanaf 1 januari 2015 niet meer bedragen dan 1 mg/m bij een grensmassastroom van 2,5 gram/uur.

15.1.3

In verband met het voldoen aan de minimalisatieverplichting moet binnen drie maanden na het in werking treden van de beschikking een plan van aanpak aan bevoegd gezag zijn gezonden. Het plan van aanpak dient inzicht te verschaffen over de uitstoot, uitgevoerde maatregelen en onderzoek naar alternatieven of mogelijkheden om de benzeenemissie tot 1 januari 2015 onder de 5 mg/m bij een grensmassastroom van 25 gram/uur en vanaf 1 januari 2015 onder de 1 mg/m bij een grensmassastroom van 2,5 gram/uur.;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMD Handel en Distributie B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.377,42 (zegge: dertienhonderdzevenenzeventig euro en tweeënveertig cent), waarvan € 1.311,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMD Handel en Distributie B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 596,00 (zegge: vijfhonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2011

195-688.