Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
201007401/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2010, kenmerk no. 8083718B, heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht een vergunning onder voorschriften verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) voor het aanleggen en in gebruik hebben van diverse herinrichtingselementen in het Noorderpark bij Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4798
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007401/1/R2.

Datum uitspraak: 11 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2010, kenmerk no. 8083718B, heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht een vergunning onder voorschriften verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) voor het aanleggen en in gebruik hebben van diverse herinrichtingselementen in het Noorderpark bij Utrecht.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2010, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2011, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Wink, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Lommerse en ir. H. Ekkelboom, beiden werkzaam bij de dienst.

2. Overwegingen

2.1. De vergunning ziet op de aanleg en het in gebruik hebben van recreatieve paden en natuurontwikkeling die voortvloeien uit de herinrichting van het Noorderpark ten noorden van Utrecht.

2.2. Het gebied Oostelijke Vechtplassen, waarvan een deel tot het Noorderpark behoort, is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn). Het gebied Oostelijke Vechtplassen stond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voorts op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Voorts is een ontwerpbesluit vastgesteld tot aanwijzing van vorengenoemd gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn dat tezamen met de speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (hierna: het Natura 2000-gebied) zal vormen.

2.3. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en voor zover van belang, wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, voor zover van belang, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2.4. Aan de hand van de artikelen 19d tot en met 19g van de Nbw 1998 dient het college te beoordelen of een vergunning als bedoeld in artikel 19d van die wet kan worden verleend. Voor zover het beroep van [appellant] geen betrekking heeft op hetgeen op grond van artikel 19d tot en met artikel 19g van de Nbw 1998 ter toetsing voorligt, blijven deze beroepsgronden buiten beschouwing. Dit betreffen de beroepsgronden dat de natuurstrook geen aaneengesloten strook is, geen ecologische verbinding tot stand brengt, dat onvoldoende onderzoek is verricht naar het doel van de natuurstrook alsmede dat het recreatiepad zal leiden tot loslopende honden die zijn koeien zullen opjagen en ziektekiemen zullen verspreiden, dat het zwerfafval zal toenemen, dat reeds fiets- en wandelpaden in de directe omgeving zijn aangelegd, dat de historische waarde van het gebied onvoldoende is onderkend en dat een toekomstvisie voor het natuurgebied ontbreekt.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorziene natuurstrook langs de Westbroekse Binnenweg, in het bestreden besluit aangeduid als element V, afbreuk doet aan het omringende open landschap waaraan een cultuurhistorische waarde is toegekend. Ter plaatse van de natuurstrook zullen schietwilgen aangroeien die een onaanvaardbare inbreuk zullen maken op het open landschap. [appellant] stelt dat hierdoor de populatie weidevogels in het gebied zal afnemen.

2.5.1. Het college stelt dat de openheid van het landschap blijft behouden en dat de natuurstrook geen negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het nabij gelegen Natura 2000-gebied.

2.5.2. Ten aanzien van het bezwaar van [appellant] omtrent de aantasting van het open landschap overweegt de Afdeling dat de gronden in het Natura 2000-gebied daarvoor niet zijn aangewezen. Voor zover de gronden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied vallen is artikel 19d van de Nbw 1998 niet van toepassing. De door [appellant] gestelde aantasting van het open landschap, wat daar ook van zij, kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Voor zover [appellant] stelt dat de aanleg van de natuurstrook negatieve effecten heeft op de populatie weidevogels, wordt overwogen dat de weidevogels waar [appellant] op doelt, niet zijn aangewezen als soorten waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

2.6. [appellant] betoogt verder dat het voorziene recreatieve pad tussen de Gageldijk en de Kooijdijk, in het bestreden besluit aangeduid als element O-4, een onaanvaardbare inbreuk maakt op het unieke natuurgebied ter plaatse. Het pad zal voorts leiden tot verstoring van broedende purperreigers, porseleinhoenders, de roerdomp, de kievit, de tureluur en de grutto.

2.6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op basis van de beschikbare informatie, waaronder de passende beoordeling, neergelegd in het rapport van Royal Haskoning van 29 april 2009, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanleg en openstelling van het fiets- en ruiterpad Gageldijk - Kooidijk, niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de soorten waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de passende beoordeling is gebleken dat de roerdomp en het porseleinhoen niet voorkomen in de directe omgeving van het beoogde fiets- en ruiterpad. Met betrekking tot de purperreiger wordt overwogen dat uit de passende beoordeling is gebleken dat er ten gevolge van dit pad geen significante verstoring zal plaatsvinden. Er blijft voldoende onverstoord en geschikt foerageergebied over. Bovendien zal een aantal aanvullende maatregelen worden genomen.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2011

234-608.