Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
201103510/1/H2 en 201103510/2/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2010 heeft het college aan de gemeente Zaanstad een vergunning verleend voor het kappen van twee bomen achter het perceel Hemkade 38 te Zaandam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103510/1/H2 en 201103510/2/H2.

Datum uitspraak: 4 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en (met toepassing van artikel 8:86 van die wet) op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 9 maart 2011 in zaak nr. 10/4624 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2010 heeft het college aan de gemeente Zaanstad een vergunning verleend voor het kappen van twee bomen achter het perceel Hemkade 38 te Zaandam.

Bij besluit van 30 juli 2010 heeft het het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Voorts hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2011, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Ouggaali, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van het college de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst, vermeld op bijlage 1 (Bomenlijst), en die zich bevinden op een openbare plaats.

Ingevolge het tweede lid kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

2.3. [appellanten] betogen dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat het kappen van de twee bomen slechts het aanleggen van de uitweg bij de Hemkade 38 dient, de twee bomen geen overlast veroorzaken en een rapport van een bomendeskundige ontbreekt.

2.4. Een kapvergunning kan ingevolge voormelde bepaling van de APV slechts worden geweigerd op de daar vermelde gronden. Het oordeel van het college dat geen van die weigeringsgronden zich voordoet is in beroep niet, althans niet gemotiveerd, betwist. Nu hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen grond opleverde om de gevraagde vergunning te weigeren, moest het college haar verlenen, als het heeft gedaan. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

85-705.