Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4059

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
201100213/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2010 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Bedrijventerrein Emerald 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100213/2/R1.

Datum uitspraak: 4 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2010 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Bedrijventerrein Emerald 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2011, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 april 2011, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door R. van den Bosch en R. Burgerhout, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de commanditaire vennootschap C.V. Delfgauw Beheer, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het uitwerkingsplan voorziet in de realisering van diverse bedrijfsgebouwen met daarbij behorende wegen, groen en water ter plaatse van een locatie gelegen tussen de A13 en Vinex-locatie Delfgauw.

2.3. Het college en C.V. Delfgauw Beheer betogen dat het beroep van [verzoeker] en anderen niet-ontvankelijk moet worden geacht, omdat het beroep volgens hen een dag na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Het verzoek om voorlopige voorziening dient volgens hen dan ook te worden afgewezen.

2.3.1. Ingevolge artikel 9.1.5, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening in samenhang gelezen met artikel 3.9a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening is op het besluit tot vaststelling van een uitwerking van een bestemmingsplan artikel 3.8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na de terinzagelegging van het besluit. Het vaststellingsbesluit, het uitwerkingsplan en de daarbij behorende stukken zijn op 25 november 2010 ter inzage gelegd. De beroepstermijn is derhalve aangevangen op 26 november 2010. Gelet op het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb eindigt de beroepstermijn op 6 januari 2011. Het beroepschrift is op 6 januari 2011 ingediend, zodat het beroep tijdig is ingesteld.

2.4. [verzoeker] en anderen betogen dat geen sprake is van een goede ontsluitingsstructuur, hetgeen zal leiden tot onveilige situaties.

2.4.1. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] en anderen met name vrezen voor een slechte ontsluiting voor het gemotoriseerd verkeer. In de plantoelichting staat dat de externe ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer zal plaatsvinden via de Spiegelmakerstraat/ Zuidpoldersingel. Alle wegen zullen conform de uitgangspunten van het concept "Duurzaam Veilig" worden ingericht waardoor de verkeersveiligheid in en om het plangebied bevorderd wordt. Zo worden er kruispuntplateaus aangelegd. De Spiegelmakerstraat zal worden verbreed voor de aanleg van fietspaden. Verder heeft het college ter zitting aangegeven dat het verkeer door de ontsluiting via de Spiegelmakerstraat en twee rotondes naar de A13 zal worden geleid. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een goede en veilige ontsluitingsstructuur.

2.5. Voor zover [verzoeker] en anderen betogen dat het college ten onrechte het standpunt inneemt dat niet hoeft te worden getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit (hierna: Blk 2005) en de Wet milieubeheer (hierna: Wm), overweegt de voorzitter dat het college desalniettemin een onderzoek heeft laten verrichten of de luchtkwaliteit voldoet aan de eisen gesteld in het Blk 2005 en de Wm.

2.6. [verzoeker] en anderen voeren aan dat de verkeersintensiteiten die in het luchtkwaliteitonderzoek en het akoestisch onderzoek als uitgangspunt zijn genomen te laag zijn ingeschat, omdat ten onrechte niet is uitgegaan van de piekbelasting. [verzoeker] en anderen voeren voorts in zijn algemeenheid aan dat de onderbouwing van de verkeersgeneratie, verkeersintensiteiten en het wegverkeerslawaai ondeugdelijk is, omdat de resultaten van de onderzoeken onduidelijk en niet te controleren zijn.

2.6.1. De voorzitter overweegt dat de onderbouwing van de onderzoeken is gebaseerd op de omvang en het type bedrijventerrein op grond van de publicatie 256 "Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden" van het CROW. Dit zijn algemeen aanvaarde normen voor de berekening van verkeerscijfers. Met hetgeen in het verzoek en ter zitting naar voren is gebracht is niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeken en de daarin gehanteerde invoergegevens met betrekking tot de verkeersintensiteiten onjuist zijn.

2.7. Voor zover [verzoeker] en anderen vrezen voor geluidoverlast als gevolg van de toename van het verkeer overweegt de voorzitter dat in het akoestisch onderzoek van Adviesbureau RBOI staat dat de geluidswaarden ter plaatse van de Spiegelmakerstraat niet worden overschreden. Nu [verzoeker] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het akoestisch onderzoek gebreken of onjuistheden bevat, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot geluidoverlast.

2.8. Voor zover [verzoeker] en anderen vrezen voor parkeeroverlast, overweegt de voorzitter dat het college voor de berekening van de parkeerbehoefte een gebruikelijke parkeernorm heeft gehanteerd en dat de aanleg van parkeerplaatsen binnen de bestemming "Bedrijf", "Verkeer" en "Groen" is toegestaan. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet de mogelijkheid biedt om het aantal benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

2.9. [verzoeker] en anderen vrezen dat het uitwerkingsplan niet economisch uitvoerbaar is, gelet op de huidige economische situatie en de leegstand van nabijgelegen bedrijventerreinen Boezem 2 en Ruyven.

2.9.1. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er behoefte bestaat aan het voorziene bedrijventerrein, nu het een nieuw bedrijventerrein betreft en het terrein strategisch is gelegen tussen de E19/A13 en de N470. De vergelijking met bedrijventerreinen Boezem 2 en Ruyven gaat volgens het college niet op, omdat dat bedrijventerreinen zijn met een geheel andere functie en ligging. Gelet hierop bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen aanleiding om te veronderstellen dat het uitwerkingsplan niet economisch uitvoerbaar zou zijn.

2.10. Ook hetgeen [verzoeker] en anderen verder nog ter zitting naar voren hebben gebracht levert geen grond op voor de verwachting dat het uitwerkingsplan in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

2.11. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

270-668.