Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
201011920/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011920/2/R3.

Datum uitspraak: 4 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoekster sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 1]), beiden wonend te Oirschot,

2. de vereniging Werkgroep Natuur en Landschap Oost-, West en Middelbeers en omgeving, gevestigd te Middelbeers (hierna: de Werkgroep), en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg (hierna: de BMF),

3. [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B], beiden wonend te Oirschot,

4. de stichting Stichting Behoud erfgoed Oirschot, gevestigd te Oirschot (hierna: de SBEO),

en

de raad van de gemeente Oirschot,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2010, de Werkgroep en de BMF bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2011, [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, en de SBEO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2010, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2011, hebben de Werkgroep en de BMF de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, hebben [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, heeft de SBEO de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 18 april 2011, waar [verzoeker sub 1], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, werkzaam bij Vvaa Rechtsbijstand, de SBEO, de Werkgroep en de BMF, alle vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B], vertegenwoordigd door P.J.M. van Leest, werkzaam bij Peter van Leest Intermediair & Advies, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.M.C. van Laerhoven en M. Stoffels, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2.2. [verzoeker sub 1] kan zich niet verenigingen met het plan, voor zover daarbij drie trekkershutten mogelijk worden gemaakt op het perceel Broekstraat 25a. Hij betoogt dat bezoekers van deze hutten, die op ongeveer 8 meter van hun woning zullen worden gerealiseerd, met name in de avond- en nachtperiode geluidoverlast zullen veroorzaken. Verder stelt hij dat de op het perceel aanwezige viskwekerij in strijd met het plan als feesthal wordt gebruikt.

2.2.1. De voorzitter stelt voorop dat de vraag of de viskwekerij in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt gebruikt, geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestemmingsplan, maar op de naleving daarvan en om die reden niet in de onderhavige procedure aan de orde kan komen. Met betrekking tot de trekkershutten overweegt de voorzitter dat [verzoeker sub 1] geen bezwaren heeft tegen de bouw van de trekkershutten op zichzelf, maar het daarmee samenhangende gebruik door trekkers. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft de raad zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geluidbelasting vanwege de trekkers die in de avond- en nachtperiode buiten de trekkershutten zullen verblijven niet zodanig is, dat dit onaanvaardbare geluidhinder met zich zal brengen. De voorzitter ziet daarom geen aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

Het verzoek van de Werkgroep en de BMF

2.3. De Werkgroep en de BMF betogen dat ten onrechte de bouwvlakken voor enkele percelen in het voorliggende plan zijn gewijzigd ten opzichte van het vigerende plan. Volgens hen kunnen hierdoor de (intensieve) veehouderijen die op deze percelen zijn gevestigd, uitbreiden, zonder dat is onderzocht welke gevolgen de nieuw te bouwen stallen dan wel uitbreidingen met zich brengen voor de omgeving, waaronder enkele Natura 2000-gebieden. Ter zitting hebben de werkgroep en de BMF gesteld dat hun verzoek zich beperkt tot de bouwvlakken op de percelen Broekeindsedijk 8, Heiakkerweg 6, Kattenberg 4, Langereijt 29a, De Leppers 1, Paardseheide 2 en Proosbroekweg 4a, nu voor deze percelen aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen, zijn ingediend.

2.3.1. Niet in geschil is dat de bouwvlakken op de bovengenoemde percelen zijn gewijzigd ten opzichte van het vigerende plan. De raad heeft in de nota van zienswijzen zich op het standpunt gesteld dat voor de wijziging van de bouwvlakken op de bovengenoemde percelen een plan-milieueffectrapportage zal moeten opgesteld, ten einde te beoordelen welke gevolgen kunnen optreden voor de Natura 2000-gebieden die nabij de percelen liggen. Het wijzigen van de bouwvlakken zou daarom in een nieuw bestemmingsplan worden geregeld, waarbij een plan-milieueffectrapportage zou worden opgesteld. Bij het besluit van 29 september 2010 heeft de raad evenwel een amendement aangenomen om de wijziging van de bouwvlakken voor bovengenoemde percelen in het voorliggende plan door te voeren. Noch in de stukken, noch ter zitting heeft de raad gemotiveerd waarom de wijzigingen van de bouwvlakken in het voorliggende plan zijn doorgevoerd, zonder dat hiervoor een plan-milieueffectrapport is opgesteld. Het bestreden besluit is daarmee naar voorlopig oordeel in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. De voorzitter ziet daarom aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening gedeeltelijk toe te wijzen. Daarbij betrekt de voorzitter dat de raad op 31 januari 2011 een voorbereidingsbesluit heeft genomen, op grond waarvan aanvragen om omgevingsvergunningen voor bouwen op percelen met de aanduiding "intensieve veehouderij" dienen te worden aangehouden.

Voor de percelen Paardseheide 2 en de Proosbroekweg 4a zijn vóór het vaststellen van het voorliggende plan de activiteiten waarvoor aanvragen om bouwvergunningen zijn ingediend vergund, aangezien deze voldeden aan het vigerende plan. Tussen het vaststellen van het voorliggende plan en het van kracht worden van het voorbereidingsbesluit zijn geen aanvragen ingediend. De voorzitter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van deze percelen.

Voor de percelen Heiakkerweg 6, Kattenberg 4, Langereijt 29a en De Leppers 1 zijn op respectievelijk 23 augustus 2010, 20 mei 2010, 25 maart 2010 en 30 september 2010 aanvragen om omgevingsvergunningen voor het bouwen van stallen ingediend. Onweersproken is dat de aangevraagde stallen niet passen binnen de bouwvlakken die zijn opgenomen in het vigerende plan, maar wel binnen de door het amendement gewijzigde bouwvlakken in het onderhavige plan. Nu verlening van de vergunningen voor deze stallen eerst mogelijk is na inwerkingtreding van het thans ter beoordeling staande bestemmingsplan, ziet de voorzitter aanleiding ten aanzien van deze percelen het plan bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

Voor het perceel Broekeindsedijk 8 is op 16 augustus 2010 een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een stal, een mestopslag en enkele sleufsilo's ingediend. Deze bouwwerken zijn 14 september 2010 vergund. Na het vaststellen van het voorliggende plan zijn volgens de raad geen aanvragen meer ingediend. Nu het voorbereidingsbesluit evenwel enkel geldt voor intensieve veehouderijen en het perceel Broekeindsedijk 8 niet is aangeduid als intensieve veehouderij, behoeven eventueel in te dienen aanvragen om het bouwen op dit perceel niet te worden aangehouden op grond van het voorbereidingsbesluit. De voorzitter ziet daarom aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening het plan eveneens ten aanzien van dit perceel te schorsen.

Het verzoek van [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B]

2.4. [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] kunnen zich niet verenigen met de toekenning van een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de locatie Kattenbergsesteeg 9, en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer: ontsluitingsweg" op de bestemming "Verkeer" op het plandeel Kattenbergsesteeg.

Met betrekking tot het perceel Kattenbergsesteeg 9 hebben [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] betoogd dat onduidelijk is of aan de Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderijen kan worden voldaan, te meer nu onduidelijk is voor de intensieve veehouderij die op het perceel zal worden gerealiseerd een milieuvergunning kan worden verleend en of de benodigde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 in rechte in stand kan blijven.

Met betrekking tot de Kattenbergsesteeg hebben zij aangevoerd dat in het vigerende plan deze weg de aanduiding "onverharde weg klasse IV" had, en dat door de aanduiding "specifieke vorm van verkeer: ontsluitingsweg" het mogelijk is om het thans aanwezige zandpad te asfalteren dan wel half te verharden. Verder is door deze aanduiding de kap van de bomen langs het zandpad mogelijk.

2.4.1. Ten behoeve van de werkzaamheden ter aanpassing van de Kattenbergsesteeg is reeds een kapvergunning verleend. Het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het bestemmingsplan is niet van invloed op die vergunning.

Verder heeft de raad ter zitting toegezegd niet over te gaan tot het asfalteren van de Kattenbergsesteeg totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. De voorzitter ziet dan ook wegens het gebrek aan spoedeisend belang geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voorts zijn in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2003" onverharde wegen gedefinieerd als wegen die grotendeels niet verhard zijn (zandwegen) dan wel wegen die semiverhard zijn; een weg is semiverhard indien door middel van het aanbrengen van puin, grint of schelpen een zekere verharding heeft plaatsgevonden. De raad heeft derhalve terecht zich op het standpunt gesteld dat onder het vigerende bestemmingsplan het mogelijk was de Kattenbergsesteeg semiverhard uit te voeren. Gelet hierop kan met schorsing van het besluit tot vaststelling van het door [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] bestreden plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer: ontsluitingsweg" op de bestemming "Verkeer" op het plandeel Kattenbergsesteeg niet worden voorkomen dat deze weg wordt voorzien van enige verharding voordat de Afdeling in de bodemzaak heeft geoordeeld over het plan.

2.4.2. Met betrekking tot het toekennen van een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" overweegt de voorzitter dat ter zitting is gebleken dat voor de intensieve veehouderij reeds een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet Ruimtelijke Ordening is verleend onder het vigerende plan. Nog daargelaten of zal worden voldaan aan de bovengenoemde verplaatsingsregeling, kan daarom met het treffen van een voorlopige voorziening inhoudende dat het plandeel Kattenbergsesteeg 9 wordt geschorst, niet worden voorkomen dat de intensieve veehouderij ter plaatse kan worden gevestigd.

2.4.3. De conclusie is dat de voorzitter van oordeel is dat met de verzoeken van [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening voor het bestreden plandeel Kattenbergsesteeg rechtvaardigt. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre te worden afgewezen.

Het verzoek van de SBEO

2.5. De SBEO betoogt dat in het bestemmingsplan ten onrechte voor wisselteelt een uitzondering is gemaakt op het aanlegvergunningenvereiste voor het planten van houtgewassen in gebieden die zijn aangewezen als akkercomplex. Volgens haar brengt dit een onaanvaardbare aantasting van de openheid van het landschap en het bolle karakter van de akkers met zich. Zij stelt verder dat het uitgangspunt van de raad dat het plan conserverend is, niet strookt met het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel voor een deel van het gebied Boterwijk. In het vigerende plan was boomteelt in dit gebied immers in het geheel niet mogelijk.

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in afwachting van de nog vast te stellen Boomteeltvisie, die naar verwachting in juni 2011 gereed zal zijn, in het voorliggende plan er voor is gekozen om de vigerende regeling ten aanzien van boomteelt zo veel mogelijk in stand te houden. Deze regeling behelst een aanduiding "akkercomplex" voor de te beschermen akkercomplexen, met daaraan gekoppeld een aanlegvergunningstelsel. Aangezien in het vigerende plan "Buitengebied Correctieve herziening 2003" de uitzondering op het aanlegvergunningstelsel voor wisselteelt was opgenomen, heeft de raad deze bepaling overgenomen in het thans voorliggende bestemmingsplan. Met betrekking tot het gebied Boterdijk overweegt de voorzitter dat ingevolge artikel 4.7.1, zesde lid, van de planregels binnen een straal van 250 meter vanaf het gebied met de aanduiding "dorpsrand" voor het beplanten van houtgewassen een aanlegvergunning noodzakelijk is. Ter zitting heeft de raad erkend dat het aanlegvergunningenstelsel enige verslechtering betekent ten opzichte van het totale verbod van boomteelt in dit gebied. De openheid van het gebied kan evenwel naar hun mening afdoende beschermd worden door het aanlegvergunningenstelsel. De voorzitter ziet voorshands in hetgeen de SBEO naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De voorzitter ziet daarom geen aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.6. Ten aanzien van de Werkgroep en de BMF dient de raad op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoeker sub 1], [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] en de SBEO bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010, kenmerk 2010/61, voor zover het betrekking heeft op de percelen Heiakkerweg 6, Kattenberg 4, Langereijt 29a, De Leppers 1 en Broekeindsedijk 8 betreft;

II. wijst het verzoek van de vereniging Werkgroep Natuur en Landschap Oost-, West en Middelbeers en omgeving en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie voor het overige en de verzoeken van [verzoeker sub 1A] en [verzoekster sub 1B], [verzoekers sub 3A] en [verzoeker sub 3B] en de stichting Stichting Behoud erfgoed Oirschot geheel af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Oirschot tot vergoeding van bij de vereniging Werkgroep Natuur en Landschap Oost-. West en Middelbeers en omgeving en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Oirschot aan de vereniging Werkgroep Natuur en Landschap Oost-. West en Middelbeers en omgeving en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

361.