Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4052

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
201009944/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college de bij besluiten van 24 oktober 2000, 30 oktober 2000 en 31 oktober 2000 aan [appellant sub 1] verleende subsidie voor het renoveren van het casco van de woningen aan de Gansstraat 38, 38BS, 40, 42, 42BS, 44 en 44BS te Utrecht, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009944/1/H2.

Datum uitspraak: 11 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te Nieuwegein,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Veenendaal,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Utrecht,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Utrecht,

5. [appellante sub 5], gevestigd te Utrecht,

6. de besloten vennootschap MBB Ontwikkeling B.V., gevestigd te Maarssen, (hierna ook tezamen: [appellant sub 1] en anderen);

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 september 2010 in zaak nr. 09/3332 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college de bij besluiten van 24 oktober 2000, 30 oktober 2000 en 31 oktober 2000 aan [appellant sub 1] verleende subsidie voor het renoveren van het casco van de woningen aan de Gansstraat 38, 38BS, 40, 42, 42BS, 44 en 44BS te Utrecht, ingetrokken.

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 1] ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank het beroep voor zover ingesteld door [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5] en MBB Ontwikkeling B.V. (hierna ook: de vennootschappen) gegrond verklaard, het besluit van 12 oktober 2009 vernietigd voor zover daarbij hun bezwaren ongegrond zijn verklaard, hun bezwaren alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 15 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2011, waar [appellant sub 1] in persoon, de vennootschappen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Sloote, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.41, eerste lid, aanhef en onder f, van de Subsidieverordening Stadsvernieuwing (hierna: de Subsidieverordening), zoals die luidde ten tijde hier van belang, wordt de geldelijke steun verleend onder de voorwaarde dat uiterlijk binnen twaalf weken na de dag waarop de melding van de voltooiing heeft plaatsgevonden en nadat de werkzaamheden door burgemeester en wethouders zijn gecontroleerd en akkoord bevonden, de werkzaamheden worden gereedgemeld, met dien verstande, dat de gereedmelding, na gemeentelijke controle en goedkeuring van de werkzaamheden overeenkomstig het derde en vijfde lid, in ieder geval volledig dient plaats te vinden binnen drie jaar nadat het besluit tot het verlenen van de geldelijke steun aan de aanvrager is verzonden.

Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.2. Bij een viertal besluiten van 24 oktober 2000, een tweetal besluiten van 30 oktober 2000 en een besluit van 31 oktober 2000 heeft het college aan [appellant sub 1] op grond van de Subsidieverordening subsidie verleend van in totaal ƒ 220.000,00 (€ 99.831,65) voor het renoveren van het casco van de woningen aan de Gansstraat 38, 38BS, 40, 42, 42BS, 44 en 44BS te Utrecht, onder, voor zover thans van belang, de voorwaarde dat bij de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend de bepalingen van de Subsidieverordening in acht worden genomen.

Bij brief van 2 mei 2001 heeft [appellant sub 1] verzocht om deze subsidie eveneens te verlenen voor sloop en nieuwbouw van deze woningen.

Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college de verleende subsidie ingetrokken, omdat [appellant sub 1] in strijd met artikel 2.41, eerste lid, aanhef en onder f, van de Subsidieverordening de werkzaamheden niet vóór de daarin gestelde termijn had gereedgemeld. Bij besluit op bezwaar van 22 augustus 2006 heeft het college het besluit van 3 april 2006 herroepen en bepaald dat de gereedmelding van de werkzaamheden/bouwplannen dient plaats te vinden vóór 1 november 2007. Bij overschrijding van deze termijn wordt de verleende subsidie ingetrokken. Het college heeft deze termijn vervolgens op verzoek van [appellant sub 1] verlengd tot 1 november 2008.

Bij brief van 21 augustus 2008 heeft [appellant sub 1] verzocht om verlenging van deze termijn, onder meer omdat volgens hem de vereiste vergunningen nog niet zijn verstrekt en het vereiste archeologisch onderzoek pas zal starten in het najaar van 2008.

Bij besluit van 2 juni 2009, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 12 oktober 2009, heeft het college de verleende subsidie met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb ingetrokken en in het verlengde daarvan het verzoek van 21 augustus 2008 afgewezen, nu [appellant sub 1] de werkzaamheden niet vóór 1 november 2008 gereed heeft gemeld. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, dat mede door toedoen van [appellant sub 1] de termijn van 1 november 2008 niet is gehaald, aangezien hij het benodigde archeologische onderzoek aanzienlijk laat heeft aangevraagd en ook daarna heeft doen vertragen. [appellant sub 1] was er voorts van op de hoogte, dat de werkzaamheden waarvoor subsidie was verleend op 1 november 2008 gereedgemeld dienden te zijn en hij had voortvarender te werk kunnen gaan, aldus het college.

2.3. Anders dan [appellant sub 1] en anderen hebben betoogd, heeft de rechtbank het bezwaar van de vennootschappen terecht zelf voorziend niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij slechts een afgeleid belang hebben. De subsidie is aangevraagd door en verleend aan [appellant sub 1], die op dat moment eigenaar van de woningen was, en het besluit tot intrekking van die subsidie is eveneens gericht aan [appellant sub 1], als begunstigde van de verleningsbeschikkingen. De vennootschappen worden weliswaar in hun financiële belangen geraakt door het intrekkingsbesluit omdat zij met [appellant sub 1] zijn overeengekomen dat op enig moment de eigendom van de woningen zal worden overgedragen en er afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de subsidie, maar deze belangen zijn afgeleid van het belang van [appellant sub 1] en dit maakt hen niet tot belanghebbenden bij dat besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de besluiten tot subsidieverlening alsmede de daarin van toepassing verklaarde subsidieverplichtingen onveranderd gelden ten aanzien van de nieuwbouw. De - na verlenging - gestelde termijn van 1 november 2008 geldt dan ook. Niet is gebleken dat [appellant sub 1] met enige voortvarendheid de werkzaamheden ter hand zou nemen en evenmin is gebleken van concrete activiteiten van [appellant sub 1] die erop duiden dat hij daadwerkelijk pogingen heeft gedaan om te voldoen aan de termijn. Het college kon dan ook, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid weigeren de termijn verder te verlengen en tot intrekking van de verleende subsidie overgaan, aldus de rechtbank.

2.5. [appellant sub 1] betoogt - samengevat - dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was de verleende subsidie in te trekken, nu hij niet heeft voldaan aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichting om binnen de gestelde termijn van 1 november 2008 de werkzaamheden gereed te melden. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat de subsidieverplichtingen niet onverkort gelden bij nieuwbouw en het college, conform diens toezegging, gehouden was om een besluit te nemen op zijn verzoek van 2 mei 2001 tot omzetting van de verleende subsidie in subsidie voor sloop/nieuwbouw. Voorts voert hij aan dat de termijn eerst is aangevangen nadat de voor die werkzaamheden benodigde vergunningen onherroepelijk zijn geworden, waarbij met name de vergunning voor de parkeerplaatsen van belang is. [appellant sub 1] voert verder aan, dat de rechtbank heeft miskend dat het college eerst een apart besluit had dienen te nemen op zijn verzoek om verlenging van de termijn en daarna het voornemen om tot intrekking over te gaan kenbaar had dienen te maken, alvorens het kon overgaan tot intrekking van de verleende subsidie. Tenslotte voert [appellant sub 1] aan, dat de rechtbank heeft miskend dat uit de Subsidieverordening volgt dat bij stadsvernieuwingsprojecten een termijn geldt van vijftien jaar.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet gehouden was om een nieuw besluit te nemen over de subsidieverlening nu de plannen waren gewijzigd van renovatie in sloop en nieuwbouw. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat [appellant sub 1] geen nieuwe subsidieaanvraag heeft gedaan en dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een besluit hierover. Uit de stukken - bijvoorbeeld uit het besluit van 15 augustus 2006 - blijkt genoegzaam dat het college heeft ingestemd met het in de brief van 2 mei 2001 vervatte verzoek van [appellant sub 1] en dat het heeft toegezegd dat de verleende subsidie ook kan worden benut voor de gewijzigde bouwplannen. Van een andersluidende of verdergaande toezegging is niet gebleken. De rechtbank heeft daarom evenzeer terecht overwogen dat de bij de subsidieverlening gestelde termijn nog steeds gold, hetgeen wordt bevestigd door de verlenging daarvan.

De Subsidieverordening biedt voorts geen aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt van [appellant sub 1] dat de termijn eerst aanvangt nadat de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde vergunningen onherroepelijk zijn geworden of dat een termijn van vijftien jaar zou moeten worden gehanteerd.

Nu [appellant sub 1] de bij de subsidieverlening gestelde termijn voor gereedmelding - na verlenging daarvan tot 1 november 2008 - heeft overschreden, was het college bevoegd om met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten tot subsidieverlening in te trekken. Dit intrekkingsbesluit impliceert dat het de termijn niet nogmaals wilde verlengen. Daarvoor was geen afzonderlijk besluit vereist.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid de verleende subsidie heeft ingetrokken en zijn verzoek tot verlenging van de termijn heeft geweigerd. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat al in september 2008, dus voor de afloop van de termijn, een start was gemaakt met de bouw van de woningen en dat hij het college daarvan in kennis heeft gesteld. Tussen hem en het college was volgens hem niet in geschil dat een verder uitstel van de termijn nog tot de mogelijkheden behoorde. [appellant sub 1] heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de periode na het verlenen van de bouwvergunning tweede fase zich kenmerkte door periodes van inactiviteit en dat ook overigens niet is gebleken van andere concrete activiteiten van zijn zijde, die erop duiden dat hij daadwerkelijke pogingen heeft gedaan om te voldoen aan de voorwaarde dat de werkzaamheden voor 1 november 2008 gereed gemeld moesten worden. Volgens [appellant sub 1] hebben er al op 13 januari 2005 besprekingen plaatsgevonden omtrent het archeologisch onderzoek en werden deze besprekingen tijdens de vergunningaanvraag voor de parkeerplaatsen voortgezet. Pas nadat deze vergunningen onherroepelijk waren, kon worden gestart met de sloop, het archeologische onderzoek en de bouw van de woningen. [appellant sub 1] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld doordat het niet adequaat heeft gereageerd op het verzoek om uitstel en dat de rechtbank evenzeer heeft miskend dat het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in de door [appellant sub 1] aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de termijn opnieuw te verlengen en af te zien van intrekking van de verleende subsidie. Weliswaar had het college niet uitgesloten dat de termijn ook na 1 november 2008 zou kunnen worden verlengd, doch het had voldoende duidelijk gemaakt dat het hiertoe niet zonder meer zou overgaan maar slechts in bijzondere omstandigheden. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 1 juni 2007, waar ter zake afspraken zijn gemaakt tussen partijen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van bijzondere omstandigheden geen sprake was. Dat [appellant sub 1] in september 2008 is begonnen met de bouw en dat binnen drie maanden na de intrekking het doel waarvoor de subsidie is verstrekt is gerealiseerd en de stadsvernieuwing heeft plaatsgevonden, zoals hij heeft gesteld, maakt dit niet anders en leidt niet tot de conclusie dat het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel is geschonden.

Van schending van het vertrouwensbeginsel is evenmin sprake. Dat [appellant sub 1] voorafgaande aan de afloop van de termijn niets van het college heeft vernomen op zijn verzoek om verder uitstel en hij al in een vroegtijdig stadium een aantal malen heeft getracht contact op te nemen, zoals door hem ter zitting is benadrukt, maakt niet dat hij erop kon vertrouwen dat het college de termijn ondanks het eerder ingenomen standpunt zou verlengen.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat, omdat het beroep wat de vennootschappen betreft gegrond is verklaard, de rechtbank had moeten bepalen dat het door hen betaalde griffierecht door het college wordt vergoed, slaagt. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb houdt de uitspraak, indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon. Nu de rechtbank het beroep van de vennootschappen gegrond heeft verklaard, had de rechtbank aanleiding moeten zien te gelasten dat het betaalde griffierecht door het college wordt vergoed.

2.8. Anders dan [appellant sub 1] en anderen hebben gesteld, heeft de rechtbank wel een beslissing genomen over een proceskostenveroordeling in beroep. De rechtbank heeft hiervoor geen aanleiding gezien nu [appellant sub 1] en anderen grotendeels in het ongelijk werden gesteld. Het gaat hierbij om een bevoegdheid van de rechtbank en niet om een verplichting. In dit geval was er sprake van één gezamenlijk beroepschrift van [appellant sub 1] en de vennootschappen, dat is ingediend door een advocaat die werkzaam is op het advocatenkantoor van [appellant sub 1]. De in beroep aangevoerde, inhoudelijke gronden slaagden daarbij niet. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval heeft de rechtbank, ondanks een gegrondverklaring van het beroep van de vennootschappen, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor een proceskostenveroordeling.

2.9. Het hoger beroep is, gelet op het in 2.7 overwogene, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze niet inhoudt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed door het college. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het voorgaande, gelasten dat het college aan [appellant sub 1] en anderen het door hen betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep vergoedt. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.10. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

2.11. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is, uitsluitend vanwege de omissie van de rechtbank wat betreft de vergoeding van het griffierecht. De in hoger beroep aangevoerde gronden tegen het oordeel van de rechtbank over de belanghebbendheid van de vennootschappen slagen niet. Voorts slagen de door [appellant sub 1] in hoger beroep aangevoerde inhoudelijke gronden niet. Gelet op deze specifieke omstandigheden is er, ondanks een gegrondverklaring van het hoger beroep, in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 september 2010 in zaak nr. 09/3332, voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat het betaalde griffierecht wordt vergoed;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5], en MBB Ontwikkeling B.V. het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan de onder III genoemden het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans, en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2011

18-680.