Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ3803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
201102120/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de zich in het dossier bevindende afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling inzake de vreemdeling van 21 januari 2011 blijkt slechts dat de vordering door de rechter-commissaris is afgewezen, doch niet welke reden daaraan ten grondslag is gelegd. Nu uit die afwijzing niet zonder meer volgt dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig moet worden geacht maar daaraan ook andere redenen ten grondslag kunnen hebben gelegen, bestond geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling is heengezonden vanwege een onrechtmatige aanhouding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/304 met annotatie van Mr. F. Fonville
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102120/1/V3.

Datum uitspraak: 28 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 februari 2011 in zaak nr. 11/2589 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 februari 2011, verzonden op 8 februari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling betoogt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de beweerdelijk gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij als senior procesvertegenwoordiger is gemachtigd om namens de minister hoger beroep in te stellen.

2.1.1. Krachtens artikel 1, aanhef, onder g, van de Mandaatregeling DGWIAV Justitie (Stcrt. 2008, 59, gelezen in samenhang met Stcrt. 2010, 16591) zijn aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) bevoegdheden gemandateerd die de IND betreffen.

Op 10 oktober 2010 is de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2010 (Stcrt. 2010, 15171; hierna: de regeling) in werking getreden.

Het hoofd van de IND heeft in artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de regeling en de daarbij behorende lijst van functionarissen, voor zover thans van belang, senior procesvertegenwoordigers van de Directie Procesvertegenwoordiging gemachtigd tot het aanwenden van rechtsmiddelen.

In dit geval heeft een zodanige functionaris namens de minister hoger beroep ingesteld.

Het betoog van de vreemdeling faalt.

2.2. In de eerste grief klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat sprake is van een onrechtmatige strafrechtelijke aanhouding, niet heeft onderkend dat zij ervan diende uit te gaan dat het strafrechtelijk voortraject rechtmatig was. Niet is immers gebleken van een oordeel van de strafrechter waaruit blijkt dat het strafrechtelijk voortraject onrechtmatig is geweest. Het is niet aan de vreemdelingenrechter om te beoordelen hoe de beslissing van de rechter-commissaris om de vreemdeling heen te zenden geduid dient te worden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte haar oordeel gegeven over de aanwending van een andere dan een bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toegekende bevoegdheid, aldus de minister.

2.2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

"3. Uit het dossier blijkt dat eiser op 19 januari 2011 om 13:15 uur is staande gehouden op grond van de Vw 2000. Nadat uit dactyloscopisch onderzoek was gebleken dat eiser onder een andere naam bekend was, is hij om 13:30 uur heengezonden en opnieuw aangehouden vanwege het gebruik van een valse naam. Vervolgens bleek dat hij gesignaleerd stond ter zake een overtreding van de Opiumwet en mocht hij op last van de officier van Justitie buiten heterdaad worden aangehouden. Voorts blijkt uit het dossier dat hij omstreeks 19:30 uur dezelfde dag naar het politiebureau Linnaeusstraat is gebracht. Aldaar bleek dat hij abusievelijk niet is voorgeleid (de rechtbank begrijpt: aan de hulpofficier van Justitie), noch vanwege het gebruik van een valse naam noch vanwege de signalering ter zake de Opiumwet. Na overleg met de officier van Justitie is vervolgens besloten hem heen te zenden en opnieuw – buiten heterdaad – aan te houden op grond van een signalering wegens een opiumdelict.

4. Gelet op deze uit het dossier blijkende achtergrond, kan de beslissing van de rechter-commissaris om hem heen te zenden, niet anders worden geduid dan als een heenzending vanwege een onrechtmatige aanhouding. De strafrechtelijke vrijheidsberoving en de aansluitende vreemdelingenbewaring zijn daarvan de vruchten."

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 oktober 2001 in zaak nr. 200105040/1; JV 2001/329) is de bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken in de Vw 2000 beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsontneming en biedt die wet de vreemdelingenrechter derhalve geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de bewaring voorafgaande aanwending van strafrechtelijke bevoegdheden. Daartoe moet de vreemdeling zich wenden tot de ter zake van strafvorderlijk optreden aangewezen rechter of tot een rechter met een algemene bevoegdheid.

2.2.3. Uit de zich in het dossier bevindende afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling inzake de vreemdeling van 21 januari 2011 blijkt slechts dat de vordering door de rechter-commissaris is afgewezen, doch niet welke reden daaraan ten grondslag is gelegd. Nu uit die afwijzing niet zonder meer volgt dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig moet worden geacht maar daaraan ook andere redenen ten grondslag kunnen hebben gelegen, bestond geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling is heengezonden vanwege een onrechtmatige aanhouding.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen in de tweede grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 januari 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat zijn overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor onnodig lang heeft geduurd, nu hij slechts over een beperkte afstand diende te worden vervoerd.

2.4.1. Uit het dossier blijkt dat de vreemdeling op 21 januari 2011 om 11:44 uur is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor alwaar hij om 15:15 uur aankwam.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2002, in zaak nr. 200106222/1, ter voorlichting van partijen aangehecht), stelt artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 geen bijzondere eisen aan de overbrenging naar een plaats, bestemd voor verhoor en is de duur van de periode van overbrenging door de Vw 2000 niet aan een maximum gebonden. Gelet op hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 mei 2003, in zaak nr. 200302051/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) bestaat in dit geval, ondanks dat, naar gesteld, het om een beperkte afstand zou gaan, geen grond voor het oordeel dat de overbrenging zodanig lang heeft geduurd dat de minister in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid.

De beroepsgrond faalt.

2.5. In beroep heeft de vreemdeling voorts aangevoerd dat hij zonder grondslag van zijn vrijheid is beroofd, nu het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring niet op zijn naam staan maar op naam van R. Pavlovic.

2.5.1. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de vreemdeling meerdere personalia gebruikt, waaronder R. Pavlovic. Derhalve staat buiten twijfel dat het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring betrekking hebben op de vreemdeling.

De beroepsgrond faalt.

2.6. In beroep heeft de vreemdeling ten slotte aangevoerd dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu slechts een vlucht diende te worden geboekt.

2.6.1. De vreemdeling is op 21 januari 2011 in bewaring gesteld. Op 25 januari 2011 is hij overgeplaatst naar het uitzetcentrum Schiphol te Amsterdam. Op 26 januari 2011 is een vertrekgesprek met de vreemdeling gevoerd en is een vlucht naar Servië aangevraagd. De vreemdeling is op 1 februari 2011 uitgezet.

2.6.2. Het vertrekgesprek en het aanvragen van een vlucht zijn handelingen die van directe betekenis zijn voor het bewerkstelligen van de uitzetting van de vreemdeling. Door op de zesde dag van de bewaring een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling, die over een geldig nationaal paspoort beschikt, heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 januari 2011 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 februari 2011 in zaak nr. 11/2589;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011

345-665.

Verzonden: 28 april 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser