Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ3441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
201008618/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008618/1/H1.

Datum uitspraak:4 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kattendijke, gemeente Goes,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/655 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goes (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Vermeirssen, advocaat te Goes, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Daniëlse, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de voorziene dakopbouw op de garage (hierna: het bouwplan) niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied", heeft miskend dat deze in strijd is met artikel 11, tweede lid, onder 3, onderdelen b, e en f, van de planvoorschriften, omdat de dakhelling te groot is. Voorts heeft zij volgens hem miskend dat het bouwplan, nu voor het oprichten van de garage, waarop de dakopbouw is voorzien, geen bouwvergunning is verleend, tevens strekt tot het oprichten van een bijgebouw en niet wordt voldaan aan de ingevolge het bestemmingsplan geldende eisen betreffende de minimale afstand tot de voorgevelrooilijn en de perceelsgrens.

2.1.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Burgerwoning".

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de in het plan gelegen en op de detailfunctiekaart als zodanig aangeduide burgerwoningen bestemd voor woondoeleinden.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder 3, voor zover thans van belang, mogen bij iedere burgerwoning, voor zover niet aanwezig, dan wel niet te realiseren binnen het bestaande bouwvolume, maximaal twee bijgebouwen worden gebouwd met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 40 m2, met dien verstande dat:

b. bij uitbreiding van een bestaand bijgebouw de dakvoethoogte en de dakhelling niet meer mag bedragen dan die van het bestaande bijgebouw;

c. in het geval dat een geheel nieuw bijgebouw wordt gebouwd de dakvoethoogte maximaal 3 meter en de dakhelling maximaal 55° mag bedragen;

e. de afstand van het bijgebouw tot de voorgevel van de woning dan wel het verlengde daarvan tenminste 5 meter dient te bedragen;

f. de afstand van ieder bijgebouw tot de perceelsgrens tenminste 2 meter dient te bedragen

2.1.2. De rechtbank heeft het geding terecht beperkt geacht tot de vergunning voor de uitbreiding van de bestaande garage met een kap. Dat op de tekening bij de aanvraag ook de garage is afgebeeld, brengt niet met zich dat daarvoor bouwvergunning is aangevraagd. Het betoog met betrekking tot de omvang van de verleende vergunning faalt.

2.1.3. De rechtbank heeft het bouwplan ten onrechte niet in strijd met het bestemmingsplan geacht. In artikel 11, tweede lid, onder 3, onderdeel b, van de planvoorschriften wordt, door voorschriften voor de dakvoethoogte en dakhelling vast te stellen, beperking aan de uitbreiding van het bouwvolume gesteld. Dat het bij het plaatsen van een nieuw bijgebouw is toegestaan een dak aan te brengen, zoals uit artikel 11, tweede lid, onder 3, onderdeel c volgt, leidt er, anders dan het college betoogt, niet toe dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Onderdeel b beoogt de uiterlijke verschijningsvorm van bestaande bijgebouwen te conserveren, terwijl onderdeel c betrekking heeft op nieuwe bijgebouwen en voor het oprichten daarvan meer mogelijkheden biedt.

Voorts is het bouwplan in strijd met artikel 11, tweede lid, onder 3, onderdelen e en f. Anders dan het college betoogt, hebben de onderdelen e en f van artikel 11, tweede lid, onder 3, niet slechts betrekking op nieuwe bijgebouwen. Bij ieder bouwplan voor een bijgebouw dient de afstand tot de voorgevel en de perceelsgrens in acht te worden genomen, ook indien het uitbreiding van een bestaand bijgebouw betreft.

Nu de dakhelling na realisering van het bouwplan meer bedraagt dan die van het bestaande bijgebouw en voorts de uitbreiding van het bijgebouw op minder dan vijf meter afstand van het verlengde van de voorgevel van de woning en op minder dan twee meter afstand van de erfgrens is voorzien, is het bouwplan in strijd met artikel 11, tweede lid, onder 3, onderdelen b, e en f, van de planvoorschriften. Het college heeft er ten onrechte bouwvergunning voor verleend.

Het desbetreffende betoog slaagt.

2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in strijd is met de Bouwverordening gemeente Goes (hierna: de Bouwverordening) en het Bouwbesluit, heeft miskend dat het in strijd is met artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening vanwege de geringe tussenruimte tussen zijn garage en de garage van [vergunninghouder] en voorts de constructie van de bestaande garage niet geschikt is om de dakconstructie te dragen.

2.2.1. Ingevolge die bepaling, voor zover thans van belang, moet de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen, dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:

a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

b. niet toegankelijk zijn.

2.2.2. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college heeft miskend dat het plaatsen van het dak in strijd is met de Bouwverordening. Het bouwplan is voorzien op de bestaande garage, die een hoogte heeft van 2,80 meter. Het heeft derhalve niet tot gevolg dat vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven een tussenruimte ontstaat die minder dan 1 meter breed is of niet toegankelijk is. Dat tussen de bestaande garage en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing een tussenruimte van minder dan 1 meter breed aanwezig is, doet daaraan niet af.

Het betoog faalt in zoverre.

2.2.3. De rechtbank heeft voorts in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het ontbreken van een fundering en de materiaalkeuze van de muren van de bestaande garage, wat daar verder van zij, terecht onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan aan de voorschriften die in het Bouwbesluit zijn gesteld voldoet. [appellant] heeft zijn stelling dat de bestaande garagemuren en fundering de voorziene dakconstructie niet kunnen dragen niet nader toegelicht.

Het betoog faalt ook voor het overige.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 23 juli 2009 ingestelde beroep, gelet op het hiervoor onder 2.1.3. overwogene, gegrond verklaren wegens strijd met artikel 11, tweede lid, onder 3, onderdelen b, e en f, van de planvoorschriften.

2.4. Het college dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/655;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goes van 23 juli 2009, kenmerk 2009/02865;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goes tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1196,00 (zegge: duizend honderdzesennegentig euro), volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goes aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

374-627.