Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ3438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
201007398/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Casteren 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007398/1/R3.

Datum uitspraak: 4 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te Casteren, gemeente Bladel,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Casteren 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van

27 augustus 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door C.E.J.M. van Hintum, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat de raad ten onrechte bij het plan aan een gedeelte van het perceel [locatie] de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en niet de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" heeft toegekend. Ook acht hij het aan dat perceel toegekende bouwvlak te klein. In dit verband voert [appellant] aan dat het hierdoor onmogelijk is een nieuwe bedrijfsloods van 675 m² te realiseren die cruciaal is voor de continuïteit van het bedrijf aangezien nu onvoldoende opslagruimte aanwezig is om de in het groot ingekochte producten op bedrijfseconomisch verantwoorde wijze op te kunnen slaan. Verder is aangescherpte regelgeving op komst waarbij kunstmest apart moet worden opgeslagen. Aan haar concrete plannen op dit punt, die bij de gemeente bekend zijn, is ten onrechte geen aandacht besteed.

De raad miskent naar de mening van [appellant] voorts dat de door hem gewenste bedrijfsloods qua aard en omvang past binnen de omgeving, bij het daarvoor ingediende bouwplan aansluiting is gezocht bij de voor het landelijk gebied karakteristiek te noemen bebouwing en dat het bouwplan de overgang van stedelijk gebied naar landelijk niet frustreert nu het aanzicht niet verandert.

2.1.1. De raad heeft uiteengezet dat zijn beleid met betrekking tot de dorpskernen is neergelegd in de op 17 december 2009 vastgestelde "Toekomstvisie Leven in de gemeente Bladel 2030" (hierna: de Toekomstvisie), waarin is opgenomen dat Casteren een echt woondorp is, maar de raad wel openstaat voor kleinschalige bedrijvigheid in de kern. De voorkeur gaat daarbij uit naar de combinatie van wonen en werken en vanwege de ligging in een aantrekkelijk recreatief gebied is de ontwikkeling van kleinschalige, extensieve recreatie en horeca in de kern mogelijk. Voorts is in de Toekomstvisie opgenomen dat de identiteit en het dorpse karakter van Casteren, waarbij gedacht kan worden aan de lintbebouwing, de relatie met het buitengebied en het historisch groen, wordt gekoesterd en waar mogelijk versterkt. In de Toekomstvisie is ook opgenomen dat het zwaartepunt van grootschalige bedrijvigheid ligt in de kernen Hapert en Bladel. Een en ander houdt verband met de komst van het Kempisch Bedrijvenpark. De raad heeft zich, gelet op dit beleid, op het standpunt gesteld dat verdere uitbreiding van het bedrijf, gelet op de huidige omvang, niet wenselijk is op deze locatie en dat de door [appellant] beoogde grootschalige bedrijvigheid elders in de gemeente moet worden gerealiseerd.

2.1.2. De Afdeling stelt voorop dat het door de raad ten aanzien van de kern Casteren gevoerde beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk is te achten.

Ten behoeve van de verplaatsing van het bedrijf van [appellant] vanuit de kern van Casteren naar het perceel [locatie] aan de rand van die kern is vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor, voor zover hier van belang, 1.060 m² aan bedrijfsgebouwen. In de aan de vrijstelling ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing is opgenomen dat deze omvang is toegestaan omdat de bovengrens van 1000 m² die ten tijde van het toen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" voor nieuw op te richten bebouwing ten behoeve van bedrijfsdoeleinden slechts in geringe mate wordt overschreden. In de ruimtelijke onderbouwing is voorts gesteld dat met deze ontwikkeling de eindvorm van het bedrijf wordt bereikt en dat in het opvolgende bestemmingsplan moet worden geregeld dat dit de eindvorm van het bedrijf betekent en toekomstige uitbreidingen niet aan de orde zijn.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het hier ten aanzien van de kern Casteren gevoerde beleid. [appellant] heeft destijds een bewuste keuze gemaakt om te verhuizen naar een bedrijfsperceel met beperkte mogelijkheden. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat gescheiden opslag van kunstmest ter plaatse niet is uitgesloten. Ook is niet aannemelijk geworden dat het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden de continuïteit van het bedrijf van [appellant] bedreigt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd omtrent de omvang en de inpassing in de omgeving geeft de Afdeling geen aanleiding het bestreden besluit onredelijk te achten nu dit de door de raad nagestreefde ongewenstheid van grootschalige bedrijvigheid in Casteren onverlet laat.

2.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

45-682.