Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ3419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
201102046/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010, nr. 10-89, heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Boeschoterweg I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102046/2/R2.

Datum uitspraak: 29 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010, nr. 10-89, heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Boeschoterweg I" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 april 2011, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Lee en G.M. Rombach, en de raad, vertegenwoordigd door J.M.T. Merkenij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door S. van Westreenen, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de functiewijziging van het perceel Lage Boeschoterweg 1 (hierna: het perceel) van agrarisch in wonen. Met het plan wordt de bouw van drie woningen, de uitbreiding van een bestaande woning, en de ontwikkeling van 4,5 hectare aan natuurgebied op het perceel [locatie] te Garderen, planologisch mogelijk gemaakt. Het perceel is in totaal ongeveer 6 hectare groot en ligt in de ecologische hoofdstructuur en in het Natura 2000-gebied "Veluwe".

2.3. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het beleid in het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het Streekplan) voor functieverandering in het buitengebied. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat de wooneenheden niet in één gebouw worden gerealiseerd en dat de bebouwde oppervlakte niet wordt gereduceerd tot 50% van de feitelijk bestaande bebouwing. Voorts stellen zij dat ten onrechte is uitgegaan van een maatwerkinvulling als bedoeld in het Streekplan. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2009, nr. 200904632/2. Daarnaast wordt niet aan de randvoorwaarden voldaan die zijn gesteld voor een maatwerkinvulling. In dit verband stellen zij dat ten onrechte de vergunde, maar niet gerealiseerde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing in de berekening wordt betrokken.

[verzoeker] en anderen betogen voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met de Streekplanuitwerking Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten (hierna: de Streekplanuitwerking). Hiertoe voeren zij onder meer aan dat de maximale inhoud van 600 m3 wordt overschreden, dat meer dan twee gebouwen worden gerealiseerd en dat de woonpercelen groter zijn dan de maximaal toegestane 1500 m2.

Voorts voeren [verzoeker] en anderen aan dat de in de bestemming "Wonen" opgenomen uitbreidingsmogelijkheden in strijd zijn met de bepalingen in het Streekplan en de Streekplanuitwerking.

2.3.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar paragraaf 2.3.7. van het Streekplan op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het Streekplan, nu de regeling voor maatwerk is toegepast. De Streekplanuitwerking is volgens de raad niet van toepassing.

2.3.2. De voorzitter overweegt dat uit de stukken, waaronder paragraaf 4.2 van de plantoelichting, blijkt dat de raad het provinciale functieveranderingsbeleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Voor het door de raad eerst ter zitting gebezigde standpunt dat het provinciaal beleid alleen als een bij het plan betrokken belang in de afweging is meegewogen, ziet de voorzitter voorshands geen grondslag in het bestreden besluit noch in een ander aan het plan ten grondslag gelegd stuk.

2.3.3. In het Streekplan is in paragraaf 2.3 het zogenoemde functieveranderingsbeleid verwoord. Dit beleid bevat voorwaarden waaronder medewerking kan worden verleend aan een wijziging van de bestemming van vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied. In paragraaf 2.3.4 zijn onder meer de voorwaarden voor functieverandering naar wonen opgenomen. In paragraaf 2.3.6 van het Streekplan is vermeld dat van het gestelde in paragraaf 2.3.4 kan worden afgeweken bij een regionale beleidsinvulling. Als een regionale beleidsinvulling is vastgesteld komt het daarin verwoorde beleid in de plaats van het generieke beleid zoals verwoord in het Streekplan. In dit geval geldt de Streekplanuitwerking als regionale beleidsinvulling.

In de Streekplanuitwerking is, voor zover hier van belang, vermeld dat bij functieverandering naar wonen geldt dat nieuwbouw van één of twee geschakelde woongebouwen met één of meerdere wooneenheden mogelijk is, mits de maximale inhoud van het woongebouw niet meer dan 800 m3 bedraagt bij de sloop van 1000 m2 tot 2000 m2, de maximale inhoud per wooneenheid niet meer dan 600 m3 bedraagt en het woonperceel niet groter is dan 1500 m2. Volgens paragraaf 5.1.2 van de Streekplanuitwerking kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat nieuwbouw in één of ten hoogste twee gebouwen dient plaats te vinden, indien een bouwplan in overeenstemming is met het Regionaal Kwalitatief Woningbouwprogramma en de realisatie van meerdere wooneenheden op overwegende bezwaren stuit. Die bezwaren kunnen van landschappelijke, cultuurhistorische, sociaal-maatschappelijke en/of financiële aard zijn.

In paragraaf 2.3.7 'Maatwerk voor bijzondere situaties' van het Streekplan is functieveranderingsbeleid opgenomen voor bijzondere situaties. Functieverandering van omvangrijke gebouwen(complexen), waaronder vrijgekomen gebouwen op militaire en zorgterreinen, is volgens het Streekplan mogelijk. In deze situaties moet maatwerk worden geleverd waarbij reductie van het bebouwd oppervlak uitgangspunt is en de overige condities van het functieveranderingsbeleid van toepassing zijn. Ook landgoederen als geheel (hoofdgebouw en meerdere boerderijen) kunnen worden beschouwd als grotere gebouwencomplexen. Als de functieverandering het hele landgoed betreft is maatwerk mogelijk. Als evenwel voor individuele landbouwbedrijven op een landgoed functieverandering wordt aangevraagd, gelden de algemene regels voor functieverandering van vrijgekomen (agrarische) gebouwen.

2.3.4. In dit geval wordt aan een voormalig bedrijfsperceel een woonfunctie toegekend. De voormalige bedrijfsbebouwing heeft een oppervlakte van 1400 m2. De vergunde, maar niet gerealiseerde, oppervlakte van 580 m2 kan hier naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet bij worden opgeteld, nu in paragraaf 2.3.3. van het Streekplan en hoofdstuk 4 van de Streekplanuitwerking is bepaald dat functieverandering alleen van toepassing is op fysiek bestaande, legale vrijgekomen bebouwing. Uit het hiervoor weergegeven beleid voor functieverandering volgt dat de thans voorliggende functieverandering onder het beleid van de Streekplanuitwerking (functieverandering naar wonen) valt, tenzij het terrein en de bebouwing van zodanige omvang zijn dat sprake is van een functieverandering van omvangrijke gebouwen(complexen). Voor het standpunt van de raad dat de Streekplanuitwerking niet van toepassing is, ziet de voorzitter geen aanleiding. De voorzitter overweegt dat de huidige bedrijfsbebouwing niet kan worden aangemerkt als een omvangrijk gebouwen(complex), zodat het in paragraaf 2.3.7 van het Streekplan neergelegde beleid niet van toepassing is. Het betoog van [verzoeker] en anderen dat de raad ten onrechte het maatwerkbeleid voor bijzondere situaties ten grondslag heeft gelegd aan de vaststelling van het plan slaagt.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan in strijd is met het functieveranderingsbeleid uit de Streekplanuitwerking onder meer omdat het plan voorziet in meer dan twee gebouwen, de inhoud van de wooneenheden groter zijn dan 600 m3 en de gebouwen groter zijn dan 800 m3. De raad kan echter, mits goed gemotiveerd, afwijken van het door hem toegepaste beleid. Nu de raad evenwel niet heeft onderkend dat het plan is vastgesteld in strijd met genoemd beleid uit de Streekplanuitwerking, is geen motivering gegeven voor de afwijking hiervan. De voorzitter acht hetgeen de raad ter zitting naar voren heeft gebracht over de waarde voor de omgeving en de financiële achtergrond, ontoereikend om de genoemde afwijkingen dragend te motiveren.

2.5. Gezien het voorgaande is de voorzitter er niet van overtuigd dat de Afdeling zal oordelen dat de raad bij de vaststelling van het plan de afwijking van het functieveranderingsbeleid voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.

Gelet op het vorenstaande en gezien de samenhang met de overige plandelen, ziet de voorzitter aanleiding het gehele plan te schorsen. De overige gronden van het verzoek behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 14 december 2010, nr. 10-89;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [verzoeker] en anderen het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011

425-647.