Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ3407

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
201101215/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstede-Klingelbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101215/2/R2.

Datum uitspraak: 26 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Arnhem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstede-Klingelbeek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 april 2011, waar [verzoeker] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem, T.P. Kalsbeek, mr. G. Paling en mr. J.W. van der Bij, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Met het plan wordt onder meer de bouw van 120 woningen mogelijk gemaakt.

2.3. [verzoeker] en anderen hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ten zuiden van hun woningen en het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" aan de Hoogstedelaan. Zij voeren hiertoe aan dat de raad ten onrechte de indruk wekt dat de resultaten van het participatieproces door de hele buurt worden gedragen. Voorts betogen [verzoeker] en anderen dat de raad ten onrechte geen totaalvisie voor de Hoogstedelaan en Arnhem Buiten heeft opgesteld. Dit klemt te meer nu door de ontwikkelingen in Arnhem Buiten een te grote druk op de hoofdwegen in het plangebied zal ontstaan.

Tevens voeren [verzoeker] en anderen aan dat het plan onvoldoende zekerheid biedt ten aanzien van de realisering van voldoende parkeerplaatsen en het behoud van het beeldbepalend groen aan de Hoogstedelaan aangezien de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" beide doeleinden mogelijk maakt en parkeren en groen derhalve onderling uitwisselbaar zijn. Verder betogen [verzoeker] en anderen dat de nieuwe woningen op zodanig korte afstand van hun woningen zullen worden gebouwd dat dit ten koste gaat van hun woon- en leefklimaat en hun privacy. Het plan maakt verder te hoge bebouwing mogelijk waardoor de nieuwe woningen zullen leiden tot schaduwhinder en zichtlijnbeperking. Bovendien heeft de raad ten onrechte hun verzoek om de woningen verder naar het zuiden op te schuiven afgewezen. [verzoeker] en anderen betogen verder dat anders dan de raad heeft toegezegd de gronden niet zullen worden afgegraven om schaduwhinder door de nieuwe woningen te beperken.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat, anders dan [verzoeker] en anderen stellen, wel degelijk sprake is van een totaalvisie voor de gebieden Hoogstede-Klingelbeek en Arnhem Buiten. De samenhang tussen de verschillende deelgebieden is opgenomen in de Structuurvisie Arnhem Buiten en in het Stedenbouwkundigeplan Hoogstede, aldus de raad.

Voorts zijn het behoud van beeldbepalende groen en de aanleg van parkeervoorzieningen voldoende gewaarborgd in het plan, aldus de raad. De raad stelt dat de afstand tussen de woningen van [verzoeker] en anderen en de nieuw te bouwen woningen voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Bovendien is deze afstand passend in de omgeving, aldus de raad. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat een nokhoogte van twaalf meter nodig is om eengezinswoningen met een volwaardige zolder te kunnen bouwen en bovendien is deze nokhoogte in overeenstemming met de in de buurt gebruikelijke nokhoogte.

2.5. Met betrekking tot het beroep van [verzoeker] en anderen ten aanzien van het participatieproces overweegt de voorzitter dat dit heeft plaatsgevonden voor de terinzagelegging van het ontwerpplan en derhalve geen deel uit maakt van de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde procedure. Deze eventuele onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de samenhang tussen het plangebied en het gebied Arnhem Buiten is opgenomen in de Structuurvisie Arnhem Buiten en het Stedenbouwkundigplan Hoogstede. De voorzitter is voorts van oordeel dat de raad heeft mogen afzien van opname van het gebied Arnhem Buiten in het plan nu de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de plannen voor dit gebied nog onvoldoende concreet zijn. Bovendien is in het plan rekening gehouden met de ontwikkelingen in het naastgelegen gebied nu in het plan ter voorkoming van overlast door verkeer van en naar het gebied Arnhem Buiten een verbindingsweg tussen de Klingelbeekseweg en de Utrechtseweg is opgenomen.

2.7. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" onder andere bestemd voor groen en parkeervoorzieningen. De raad heeft evenwel onweersproken gesteld dat slechts snippergroen onder deze bestemming is gebracht en niet het beeldbepalend groen. Deze stelling is niet onjuist gebleken.

Voorts ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet zal voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Hiertoe overweegt de voorzitter dat binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Voorts dienen ingevolge artikel 7.2, onder a, en artikel 12.2, onder a, van de planregels bij de bouw van gebouwen parkeerplaatsen conform de parkeernorm als opgenomen in de bijlage bij de planregels te worden gerealiseerd.

2.8. De voorzitter is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afstand tussen de woningen van minimaal 25 meter passend is in de omgeving aangezien blijkens de verbeelding deze afstand niet afwijkt van de in de buurt gangbare afstand. Voorts is niet aannemelijk dat bebouwing op deze afstand de privacy van [verzoeker] en anderen onevenredig zal aantasten. Ook ten aanzien van de nokhoogte van twaalf meter heeft de raad zich, blijkens de verbeelding, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze aansluit bij de hoogte van de omliggende woningen. Verder is de voorzitter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat deze nokhoogte zal leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder. Ook ten aanzien van de doorzichten is voorshands niet gebleken dat deze onevenredig zullen worden aangetast. De voorzitter is gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nieuwe woningen niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker] en anderen zullen leiden. Gelet hierop is de voorzitter tevens van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het door [verzoeker] en anderen aangedragen alternatief om de woningen in zuidelijke richting op te schuiven.

Voorts ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met het vertrouwensbegsinel heeft vastgesteld. De voorzitter neemt hierbij in overweging dat niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens de raad de verwachting is gewekt dat een deel van de gronden zullen worden afgegraven ten behoeve van de vermindering van schaduwwerking.

2.9. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter niet dat het besluit op deze punten in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Het verzoek van [verzoeker] en anderen dient daarom te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2011

425-674.