Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201104263/2/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling gedurende de behandeling van het hoger beroep wordt uitgezet dan wel naar een uitzetcentrum wordt overgebracht.

De enkele omstandigheid dat het besluit van 15 juni 2010 voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Bij dit oordeel is betrokken dat op dit moment niet duidelijk is dat en zo ja op welke termijn uitzetting dan wel overbrenging naar een uitzetcentrum zal plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104263/2/V2.

Datum uitspraak: 18 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 10 maart 2011 in zaak nr. 10/24598 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij uitspraak van 10 maart 2011, verzonden op 14 maart 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling gedurende de behandeling van het hoger beroep wordt uitgezet dan wel naar een uitzetcentrum wordt overgebracht.

De enkele omstandigheid dat het besluit van 15 juni 2010 voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Bij dit oordeel is betrokken dat op dit moment niet duidelijk is dat en zo ja op welke termijn uitzetting dan wel overbrenging naar een uitzetcentrum zal plaatsvinden.

2.2. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos

voorzitter

w.g. Zegveld

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2011

43.

Verzonden: 18 april 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser