Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201008593/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2135, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een zeugen-/biggenstal op het perceel [locatie] te Vortum-Mullem, gemeente Boxmeer.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008593/1/H1.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Wakker Dier, gevestigd te Amsterdam, en

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, (hierna tezamen in enkelvoud: Stichting Wakker Dier),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/2192 in het geding tussen:

Stichting Wakker Dier

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een zeugen-/biggenstal op het perceel [locatie] te Vortum-Mullem, gemeente Boxmeer.

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college het door Stichting Wakker Dier daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van

27 januari 2009 onder verbetering van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Stichting Wakker Dier daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Stichting Wakker Dier bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Stichting Wakker Dier en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2011, waar Stichting Wakker Dier, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof en

H. van Ormondt, en het college, vertegenwoordigd door

mr. J.P.L.M. van der Velden, werkzaam bij de gemeente, en ing. K. Smits, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, M. Jutte, werkzaam bij Bartels Ingenieursbureau B.V., [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van het besluit op bezwaar, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120; (..). Het Bouwbesluit 2003 is een dergelijke algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) wordt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften onder industriefunctie verstaan: gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden.

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, wordt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften onder lichte industriefunctie verstaan: industriefunctie waarin activiteiten plaats vinden, waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt.

Ingevolge artikel 1.5 behoeft aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, niet te worden voldaan, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

Ingevolge artikel 2.103, eerste lid, is een te bouwen bouwwerk zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.103 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Ingevolge artikel 2.105, vierde lid, heeft een brandcompartiment een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 2.103 aangegeven grenswaarde. Blijkens tabel 2.103 bedraagt de grenswaarde voor de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment ten behoeve van een lichte industriefunctie 1000 m².

Ingevolge artikel 2.200, eerste lid, is een te bouwen bouwwerk met een brandcompartiment of een subbrandcompartiment, waarvan de gebruiksoppervlakte groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1, zodanig ingericht dat het brandveilig is.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.200 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Blijkens tabel 2.200 wordt voor de gebruiksfunctie industrie aan de in artikel 2.200, eerste lid, gestelde eis voldaan door toepassing van, voor zover hier van belang, artikel 2.201.

Ingevolge artikel 2.201 zijn een brandcompartiment en een subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte die groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1, zodanig ingericht dat het uitbreiden van brand wordt beperkt op een wijze die leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met die paragrafen.

Artikel 2.103 en artikel 2.105 van het Bouwbesluit zijn opgenomen in paragraaf 2.13.1.

2.2. Vast staat dat het bouwplan dient ten behoeve van de gebruiksfunctie "lichte industriefunctie", als bedoeld in het Bouwbesluit. Het bouwplan voldoet niet aan de voor die gebruiksfunctie, ingevolge artikel 2.105, vierde lid, in samenhang gelezen met tabel 2.103, van het Bouwbesluit geldende grenswaarde voor de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment van 1000 m², nu het bouwplan voorziet in vier brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van respectievelijk 4988 m², 2934 m², 4323 m² en 1447 m². Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat evenwel zodanige maatregelen zijn getroffen dat een aan paragraaf 2.13.1 van het Bouwbesluit gelijkwaardig niveau van brandveiligheid wordt bereikt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bouwplan leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met paragraaf 2.13.1 van het Bouwbesluit, zodat niet aan de ingevolge artikel 2.105, vierde lid, van het Bouwbesluit geldende grenswaarde voor de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment van 1000 m² hoeft te worden voldaan.

2.3. Stichting Wakker Dier betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat de voorziene zeugen-/biggenstal voldoet aan een gelijkwaardig niveau van brandveiligheid als voorgeschreven in het Bouwbesluit. De rechtbank heeft volgens haar miskend dat het college aan had dienen te sluiten bij de in de leidraad "Beheersbaarheid van Brand 2007" (hierna: de leidraad BvB) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de "Handreiking grote brandcompartimenten" van mei 2007 (hierna: de Handreiking) van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer neergelegde norm voor de maximale oppervlakte van brandcompartimenten van dierenverblijven van 2500 m², dan wel dat het college had moeten motiveren waarom daarvan is afgeweken.

2.3.1. In de leidraad BvB worden de volgens de methode BvB te treffen maatregelen beschreven voor situaties waarbij sprake is van grote brandcompartimenten, die een niveau van brandveiligheid waarborgen dat gelijkwaardig is aan hetgeen in het Bouwbesluit is voorgeschreven. In de Handreiking is naar deze methode verwezen. Het college is niet gebonden aan de leidraad BvB. Ook op andere wijze kan worden vastgesteld dat sprake is van een niveau van brandveiligheid dat gelijkwaardig is aan hetgeen in het Bouwbesluit is voorgeschreven.

Het college hanteert met betrekking tot dierenverblijven zoals die waarin het bouwplan voorziet ter zake van de vraag of sprake is van een niveau van brandveiligheid dat gelijkwaardig is aan hetgeen het Bouwbesluit voorschrijft, de interne richtlijn "Beleid brandcompartimentering dierenverblijven" (hierna: de gemeentelijke richtlijn). Het college heeft zich bij zijn besluitvorming gebaseerd op het rapport van Bartels Ingenieursbureau B.V. (hierna: Bartels) van 16 april 2009, waarin is geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de criteria neergelegd in de gemeentelijke richtlijn, en heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan voorziet in een niveau van brandveiligheid dat gelijkwaardig is aan hetgeen het Bouwbesluit voorschrijft.

Niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan hetgeen in de gemeentelijke richtlijn is neergelegd. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De StAB is in haar onderzoeksverslag van 11 maart 2010 tot de conclusie gekomen dat de toepassing van de gemeentelijke richtlijn leidt tot een tenminste gelijkwaardig niveau van brandveiligheid ten opzichte van hetgeen in het Bouwbesluit is neergelegd.

In hetgeen Stichting Wakker Dier heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de conclusie van de StAB dat de toepassing van de gemeentelijke richtlijn leidt tot een tenminste gelijkwaardig niveau van brandveiligheid ten opzichte van hetgeen in het Bouwbesluit is neergelegd niet juist is en dat de rechtbank zich hier bij haar oordeel niet op mocht baseren. De enkele omstandigheid dat in de gemeentelijke richtlijn niet de in de leidraad BvB en de Handreiking neergelegde norm voor de maximale oppervlakte van brandcompartimenten van dierenverblijven van 2500 m² is gehanteerd, is daarvoor onvoldoende. Anders dan Stichting Wakker Dier betoogt, bieden de uitspraken van de Afdeling van 10 oktober 1996 in zaak nr. H01.95.0356 (BR 1997, p.132), van 27 november 1997 in zaak nr. H01.97.1321 (BR 1998, p.748) en van 26 september 2000 in zaak nr. 200000375/1 geen grond voor het oordeel dat aangesloten diende te worden bij de in de leidraad BvB neergelegde norm, reeds nu in die uitspraken de leidraad BvB niet aan de orde was.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich, gelet op het onderzoeksverslag van de StAB, op grond van het rapport van Bartels op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat de voorziene zeugen-/biggenstal voldoet aan een gelijkwaardig niveau van brandveiligheid als voorgeschreven in het Bouwbesluit.

Het betoog faalt.

2.4. Stichting Wakker Dier betoogt voorts dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op de beroepsgrond inzake de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase.

2.4.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.4.2. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op het betoog dat het college het verzoek om proceskostenvergoeding had behoren toe te wijzen. Dit leidt evenwel niet tot het door Stichting Wakker Dier beoogde doel, gelet op het navolgende.

Het college heeft het besluit van 27 januari 2009 niet herroepen, maar met verbetering van de motivering gehandhaafd. Nadat in de bezwaarfase was gebleken dat de bij de bouwaanvraag overgelegde tekeningen onvoldoende duidelijkheid verschaften over het te gebruiken materiaal in het dak en of dit materiaal voldeed aan de gemeentelijke richtlijn, heeft [vergunninghoudster] op verzoek van het college in de bezwaarfase aangepaste bouwtekeningen overgelegd, waaruit blijkt welk materiaal in het dak zal worden gebruikt en dat dit materiaal voldoet aan de gemeentelijke richtlijn. Er is, anders dan Stichting Wakker Dier betoogt, dan ook geen sprake van een situatie waarin het bouwplan is gewijzigd wegens strijd met de gemeentelijke richtlijn. De bouwtekeningen zijn slechts aangepast ter verduidelijking van het bouwplan.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

414-580.