Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201008498/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008498/1/H3.

Datum uitspraak: 27 april 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2010 in zaak nr. 10/606 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2010, verzonden op 16 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Wildemors, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (Stcrt. 24 juni 2008, 119; hierna: de beleidsregels).

Volgens paragraaf 3, voor zover thans van belang, wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. De vraag of een VOG kan worden afgegeven wordt beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1, voor zover thans van belang, vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die voorkomen in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.1.2, voor zover thans van belang, wordt voor het bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terug te kijken termijn valt, uitgegaan van de datum van uitspraak in eerste aanleg. Dit uitgangspunt geldt ook indien hoger beroep en/of cassatie is ingesteld. Van dit uitgangspunt wordt in de volgende gevallen afgeweken:

- wanneer tussen de pleegdatum en de datum van uitspraak in eerste aanleg een langere termijn ligt dan twee jaren en er geen sprake is van fraude- en zedendelicten, wordt de pleegdatum als beginpunt genomen;

- bij openstaande zaken die geen fraude- en zedendelicten betreffen, wordt eveneens de pleegdatum als beginpunt genomen;

- in het geval van openstaande zaken inzake fraude- en zedendelicten wordt als beginpunt genomen het moment waarop vanwege het openbaar ministerie jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen. Bij de bepaling van deze datum wordt uitgegaan van de datum waarop de strafzaak bij het openbaar ministerie wordt aangebracht en in het Justitieel Documentatie Systeem wordt ingeschreven.

Volgens paragraaf 3.2, voor zover thans van belang, betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is volgens deze paragraaf gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3, voor zover thans van belang, kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2, voor zover thans van belang, ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

2.2. De minister heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat met [appellant] op 25 maart 2009 wegens valsheid in geschrifte een transactie is overeengekomen tot het betalen van een geldsom van € 45.000,00 en het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit strafbare feit op zichzelf, gelet op de aard hiervan, te weten een fraudedelict, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie van NVM-makelaar, waarvoor de VOG is aangevraagd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet langer in geschil is dat als transactiedatum 12 oktober 2007 heeft te gelden. Zij heeft geoordeeld dat de minister terecht de transactiedatum als uitgangspunt heeft genomen om te bepalen of het strafbare feit valt binnen de terug te kijken periode, als bedoeld in paragraaf 3.1.1 van de beleidsregels. Daartoe heeft zij overwogen dat de minister aansluiting heeft gezocht bij de hoofdregel van paragraaf 3.1.2 van de beleidsregels, waarin is bepaald dat wordt uitgegaan van de datum van de uitspraak in eerste aanleg. Zij heeft geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die datum het meest vergelijkbaar is met de transactiedatum, zodat daarvan dient te worden uitgegaan. Zij heeft [appellant] niet gevolgd in zijn betoog dat de pleegdatum of de datum waarop de strafvervolging is ingesteld gehanteerd dient te worden. In dat geval zou immers aansluiting worden gezocht bij de uitzonderingen op de hoofdregel, terwijl die uitzonderingen, ondanks hetgeen [appellant] daaromtrent heeft gesteld, niet voor zijn situatie hebben te gelden, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de minister in dit geval beter bij de hoofdregel dan bij de uitzonderingen van paragraaf 3.1.2 van de beleidsregels heeft kunnen aansluiten. Dat zijn situatie strikt genomen niet onder een van de uitzonderingen valt, is niet ter zake, omdat zijn situatie evenmin onder de hoofdregel valt, aldus [appellant]. Hij betoogt dat zijn situatie het meest vergelijkbaar is met die van een openstaande fraudezaak, als bedoeld in de derde uitzondering van deze paragraaf, zodat bij de beoordeling van de VOG-aanvraag ten minste had dienen te worden uitgegaan van het moment waarop het openbaar ministerie jegens hem de strafvervolging heeft ingesteld, te weten 24 januari 2006, toen hij in verzekering is gesteld. Daartoe voert hij aan dat indien hij de transactie niet had aanvaard, de aanvraag op grond van deze uitzondering zou zijn beoordeeld. Hij betoogt dat door de transactie de strafzaak spoediger definitief is afgewikkeld dan wanneer deze voor de rechter zou zijn gebracht en dat juist omwille van het tijdsverloop in strafzaken in paragraaf 3.1.2 de uitzonderingen op de hoofdregel zijn opgenomen. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat de minister daarom ten onrechte aansluiting bij de hoofdregel heeft gezocht en hem hierdoor in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur in een ongunstigere positie heeft gebracht dan indien hij de transactie niet had aanvaard.

2.4.1. Paragraaf 3.1.2 van de beleidsregels voorziet niet in de onderhavige situatie, waarin het strafbare feit met een transactie is afgedaan. In de toelichting op deze paragraaf is vermeld dat bij de beoordeling of een justitieel gegeven binnen de terug te kijken periode valt, als hoofdregel wordt gekeken naar de uitspraak van de rechter in eerste aanleg of de datum waarop door het openbaar ministerie een beslissing, zoals een transactie, is genomen. Dit tenzij zich een van de in deze paragraaf vermelde uitzonderingen voordoet, aldus de toelichting.

Bij de eerste twee uitzonderingen die in deze paragraaf worden vermeld, kan in dit geval niet worden aangesloten, nu deze uitdrukkelijk niet op fraudedelicten van toepassing zijn. In de toelichting op paragraaf 3.1.2 is vermeld dat de reden dat voor fraude- en zedendelicten een ander kader geldt, is dat deze delicten, meer dan andere, vaak pas lange tijd na de pleegdatum bekend worden. Gelet hierop volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn betoog dat fraudedelicten ten onrechte buiten deze uitzonderingen vallen.

De derde uitzondering doet zich in het geval van [appellant] evenmin voor, omdat door de aanvaarding van het transactievoorstel aan het strafrechtelijke traject een einde is gekomen. Zijn betoog dat het feit dat het openbaar ministerie overgaat tot een transactie veelal betekent dat de verwijtbaarheid ter zake van het strafbare feit minder groot is dan wanneer dit aan de rechter wordt voorgelegd, wat er verder zij van de juistheid van die stelling, laat onverlet dat met de transactie de strafzaak is geëindigd.

Dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, indien hij niet het initiatief had genomen om een transactie met het openbaar ministerie overeen te komen of het transactieaanbod niet had aanvaard, de strafprocedure nog niet zou zijn afgerond en op grond van deze uitzondering in januari 2010 een VOG zou zijn afgegeven, wat daarvan ook zij, leidt niet tot het oordeel dat de minister ten onrechte niet bij deze uitzondering heeft aangesloten. [appellant] had bij het accepteren van het transactievoorstel een eigen verantwoordelijkheid. Overigens heeft de minister met juistheid gesteld dat door het accepteren van de transactie voor [appellant] de negatieve gevolgen van het strafbare feit eerder definitief tot het verleden behoren dan wanneer hij een rechterlijke uitspraak had afgewacht, in welk geval na een veroordeling ter zake van dat feit dit hem nog gedurende vier jaar zou kunnen worden tegengeworpen.

De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de minister de transactiedatum heeft mogen beschouwen als relevante datum om te bepalen of het strafbare feit valt binnen de terug te kijken periode, als bedoeld in paragraaf 3.1.1 van de beleidsregels. Het betoog slaagt niet.

2.5. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de minister bij de toepassing van het subjectieve criterium de relevante omstandigheden van het geval voldoende heeft meegewogen en dat de minister in redelijkheid het belang van het voorkomen van risico voor de samenleving boven zijn belang bij de afgifte van een VOG heeft kunnen stellen. Hij betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat op grond van brieven van de behandelend officier van justitie van 8 en 30 september 2009 genoegzaam vaststaat dat de officier en de door de valsheid in geschrifte benadeelde partij geen herhaling van dit delict vrezen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de omstandigheid dat recidive onwaarschijnlijk is een bijzondere omstandigheid is die de afgifte van een VOG rechtvaardigt, ondanks dat aan het objectieve criterium wordt voldaan, aldus [appellant]. Hij betoogt dat de rechtbank met het oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat onvoldoende tijd is verstreken om te kunnen aannemen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen, heeft miskend dat die conclusie niet verenigbaar is met dat uitgangspunt van de wetgever.

2.5.1. Volgens paragraaf 3.3.2 van de beleidsregels zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan en het tijdsverloop relevante omstandigheden bij de toepassing van het subjectieve criterium. De minister heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat uit de hoogte van de voor de valsheid in geschrifte overeengekomen transactie blijkt dat dit een ernstig feit betreft. Hij heeft zich in dit besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op de aard en de ernst van dit strafbare feit op dat moment het tijdsverloop sinds het moment van de transactie, bezien in het licht van de totale terugkijktermijn van vier jaren, onvoldoende was om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende was afgenomen om tot de afgifte van een VOG over te gaan. Gelet op het vorenstaande heeft de minister in de mededeling van de officier van justitie dat, gelet op een tussen [appellant] en de door het fraudedelict benadeelde partij getroffen en uitgevoerde regeling die erop neerkwam dat de relatie tussen beiden zou worden voortgezet, laatstgenoemde kennelijk geen herhaling van het strafbare feit vreest, in redelijkheid onvoldoende aanleiding hoeven zien om alsnog tot afgifte van de VOG over te gaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister vanuit zijn eigen taak en verantwoordelijkheid, met behulp van zijn eigen instrumentarium, dient te beoordelen of een risico voor de samenleving bestaat indien iemand het beroep van NVM-makelaar wil uitoefenen en dat die taak en verantwoordelijkheid los van die van de officier van justitie staan. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog slaagt niet.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

176-598.