Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201009370/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing te verlenen voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te Rijswijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009370/1/H1.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 augustus 2010 in zaak nr. 09/8750 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing te verlenen voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te Rijswijk.

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2009 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordig door mr. C.G.J.A. van Dijk en ing. E. Bontenbal, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Leeuwendaal, eerste herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woongebied (WG)".

Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag de diepte, breedte, goothoogte, hoogte en dakvorm van de woning zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan, niet worden vergroot, met uitzondering van een vergroting op grond van het bepaalde in dit lid onder f en verder.

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren ontheffing te verlenen voor het uitbouwen van de achterkant van zijn woning op de tweede verdieping. Daartoe voert hij aan dat het bestemmingsplan niet redelijk is omdat de raad van de gemeente Rijswijk aan de tegenover zijn huis gelegen percelen de nadere aanduiding "extra bouwlaag toegestaan" heeft toegekend. Voorts doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.2.1. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog omtrent de toekenning van de juiste aanduiding aan zijn perceel, wat daar ook van zij, had naar voren moeten worden gebracht in de bestemmingsplanprocedure. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 november 2010 in zaak nr. 201002789/1/H1), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de weigering ontheffing en bouwvergunning voor een bouwplan te verlenen de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen niet zover dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de goedkeuring van dat plan te hanteren toetsingsmaatstaf, waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1), betreft het beslissen op een verzoek om ontheffing krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid van het college, waarvan de rechter het gebruik terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen dat hij zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek heeft kunnen komen.

2.2.3. Ter invulling van zijn bevoegdheid heeft het college geen beleidsregels vastgesteld. Het college heeft aan zijn weigering om ontheffing te verlenen in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen dat het bouwplan in strijd is met het recent in werking getreden bestemmingsplan en dat het niet bereid is daarvan af te wijken. Daarbij heeft het in aanmerking kunnen nemen dat de raad bij de vaststelling daarvan, naar aanleiding van een ingebrachte zienswijze tegen het ontwerpplan, uitdrukkelijk de keuze heeft gemaakt om voor bepaalde percelen wel de mogelijkheid van een extra bouwlaag toe te staan en voor andere niet. Daar waar [appellant] in algemene zin stelt dat het college elders in de gemeente ontheffingen heeft verleend, is niet aannemelijk gemaakt dat dit gelijke gevallen betreffen. De door [appellant] bedoelde situatie aan de Koninginnelaan 52 komt niet zodanig overeen met de thans aan de orde zijnde situatie dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan het bouwplan, nu aan dat perceel in het bestemmingsplan de aanduiding "extra bouwlaag toegestaan" is toegekend. Van gevallen waarin het college ontheffing heeft verleend voor een vergelijkbaar bouwplan als dat van [appellant] is overigens niet gebleken, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college in redelijkheid de gevraagde ontheffing heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

357-672.