Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201008947/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van twee dakkapellen op een bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008947/1/H1.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30 juli 2010 in zaak nr. 10/165 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van twee dakkapellen op een bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 december 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2011, waar [appellant], bijgestaan door J. Portier, en het college, vertegenwoordigd door B. Hopman en mr. W.D. Lok, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het bouwplan, ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, licht bouwvergunningplichtig is.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, is het eerste lid op de lichte bouwvergunning overeenkomstig van toepassing.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling:

a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;

b. of het uiterlijk van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge het derde lid, zijn de criteria, bedoeld in het eerste lid, zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheidene categorie├źn bouwwerken. De criteria kunnen verschillen naar gelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen.

2.3. De welstandscommissie Het Oversticht heeft op 13 oktober 2008 en 30 september 2009 op basis van de sneltoetscriteria en de gebiedscriteria van het welstandsgebied "Kampenlandschap" uit de welstandsnota van de gemeente Steenwijkerland, een negatief advies over het bouwplan gegeven. In de sneltoetscriteria is bepaald dat een dakkapel aan de achterkant een ondergeschikte toevoeging moet zijn aan het hoofdgebouw. Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in dakkapellen aan de achterkant van het bijgebouw. In de gebiedsbeschrijving van het Kampenlandschap is opgenomen dat de boerderij het meest karakteristieke gebouwtype is. De welstandscommissie heeft gemotiveerd uiteengezet dat het bouwplan in strijd is met de gebiedsbeschrijving wat betreft de vormgeving omdat het bouwplan voorziet in een niet geringe afwijking van de karakteristiek zoals beschreven in de gebiedsbeschrijving. Daarbij heeft de welstandscommissie in aanmerking genomen dat de dakkapellen niet op een oorspronkelijke boerderij zijn voorzien, bijgebouwen in het gebied traditioneel geen dakkapellen kennen en dat de dakkapellen het bijgebouw een ambivalent karakter geven doordat een schuur daarmee het karakter van een woning krijgt. In het besluit van 23 december 2009 heeft het college zich op de adviezen van 13 oktober 2008 en 30 september 2009 gebaseerd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd voor het bouwplan bouwvergunning te verlenen omdat het volgens hem niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.4.2. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de welstandscommissie bij haar adviezen met juistheid als uitgangspunt heeft genomen dat bijgebouwen in het gebied traditioneel geen dakkapellen kennen. Anders dan [appellant] betoogt, is in de gebiedsbeschrijving van de welstandsnota opgenomen dat op het woongedeelte van boerderijen sporadisch een dakkapel voorkomt. Daar waar [appellant] beoogt aan te tonen dat in het gebied wel dakkapellen op bijgebouwen voorkomen en hij daarbij wijst op drie door hem overgelegde foto's, wordt overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat deze locaties niet binnen het welstandsgebied "Kampenlandschap" zijn gelegen, zodat de door hem bedoelde situaties niet zodanig overeenkomen dat het college daarin aanleiding had moeten zien om anders te beslissen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de welstandsadviezen in strijd zijn met de volgens de welstandsnota geldende criteria. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de welstandsadviezen voldoen aan de daaraan te stellen eisen, zodat het college zich daarop terecht heeft gebaseerd bij zijn besluit van 23 december 2009 en gelet hierop de bouwvergunning wegens strijd met redelijke eisen van welstand terecht heeft geweigerd.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

357-672.