Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201011517/1/R1 en 201011517/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Vijzeltuin" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011517/1/R1 en 201011517/2/R1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de beroepen, in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Enkhuizen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Vijzeltuin" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2010, beroep ingesteld.

De gronden van het beroep van [appellant sub 1] en anderen zijn aangevuld bij brief van 6 december 2010. De gronden van het beroep van [appellanten sub 2] zijn aangevuld bij brieven van 1 december 2010 en 23 december 2010.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [appellant sub 1] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [appellanten sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 9 maart 2011, waar [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen, beiden vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn (NH), en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, F.M. Weghaus, J. Slagter en mr. M. Schaper, allen werkzaam bij de gemeente Enkhuizen, zijn verschenen.

Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam, en C.A. Honselaar, werkzaam bij [belanghebbende], als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het Sociaal Medisch Centrum aan de Vijzelstraat te Enkhuizen. Hiertoe worden onder meer 46 psychogeriatrische woningen, 19 nultredenwoningen, 2 stadswoningen, een parkeergarage, 1.000 m² aanvullende zorg, ondersteunende horeca op het binnenterrein en bebouwing op het parkeerterrein aan de oostzijde van de Vijzelstraat mogelijk gemaakt.

2.3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.1 van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

2.4. Het beroep en het verzoek van [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening is gericht tegen het plan.

Elektronische beschikbaarstelling

2.5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan niet (tijdig en) op de juiste wijze elektronisch beschikbaar is gesteld.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Aantasting woon- en leefklimaat

2.6. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan massale bebouwing mogelijk maakt welke grote negatieve invloed zal uitoefenen op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Zij wijzen hierbij op de toegestane bouwhoogte en op het feit dat tot de plangrens gebouwd mag worden, op korte afstand van de omliggende woningen. Hoewel voor het plangebied een bebouwingspercentage van 60% geldt, is bebouwing vooral aan de randen van het plangebied voorzien waardoor de impact van de bebouwing enorm is. In dit kader betogen [appellant sub 1] en anderen tevens dat in artikel 3, lid 3.6, van de planregels ten onrechte een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waardoor de bouwhoogte van de bebouwing voorzien achter de woningen aan het Spaans Leger verhoogd kan worden van 7,5 meter naar 10 meter.

2.6.1. De raad wijst op de ten behoeve van het plan uitgevoerde bezonningsstudie waaruit volgens de raad een minimale vermindering van bezonning volgt voor de omwonenden tengevolge van het plan. Hierbij is volgens de raad rekening gehouden met de maximale mogelijkheden van het plan. Waar de voorziene bebouwing grenst aan de tuinen van omwonenden is de toegestane bouwhoogte 4 meter. De hier voorziene wand zal bovendien worden opgetrokken uit natuurlijk materiaal. De raad heeft zich gelet op het voorgaande op het standpunt gesteld dat de woonomgeving van de omwonenden niet onevenredig wordt aangetast.

2.6.2. Aan de gronden in het plangebied die grenzen aan de percelen gelegen aan het Spaans Leger is de bestemming "Maatschappelijk (M)" toegekend. Binnen dit plandeel zijn verschillende bouwhoogten toegestaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder d en e, van de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, bedraagt de maximale bouwhoogte 4 meter waar deze gronden grenzen aan de percelen van omwonenden. Waar de gronden niet direct aan de genoemde percelen grenzen is een maximale bouwhoogte van deels 7,5 en deels 10 meter toegestaan.

Aan de gronden gelegen aan het Doelenlaantje is de bestemming "Wonen (W)" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, onder f en g, van de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, is hier een maximale goot- en bouwhoogte van 4,5 onderscheidenlijk 9 meter toegestaan.

Aan de gronden gelegen ten oosten van de Vijzelstraat is de bestemming "Wonen (W)" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, onder f en g, van de planregels, voor zover van belang, bezien in samenhang met de verbeelding, is hier een maximale goot- en bouwhoogte van 7 onderscheidenlijk 12 meter en 10 onderscheidenlijk 13 meter toegestaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.6 van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om onder voorwaarden de aanduiding 'maximale bouwhoogte (7,5 m)' op de verbeelding te wijzigen in de aanduiding 'maximale bouwhoogte (10 m)', ten behoeve van de bouw van psychogeriatrische woningen.

2.6.3. Ten behoeve van het plan is door Van der Waals/Zeinstra Architecten een bezonningsstudie uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 4 en 10 meter voor de bebouwing ten westen van de Vijzelstraat, een maximale hoogte van 11 meter voor het bouwvlak aan het Doelenlaantje en een maximale bouwhoogte van deels 12 en deels 13 meter voor de bebouwing ten oosten van de Vijzelstraat. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Bezonningsstudies Vijzeltuin Enkhuizen' van 1 februari 2010. De conclusie van dit rapport is dat de voorziene bebouwing ten westen van de Vijzelstraat in de ochtend van het voorjaar, de zomer en de herfst ten opzichte van de huidige situatie leidt tot een vermindering van de bezonning van de tuinen van de woningen aan het Spaans Leger. De voorziene bebouwing ten oosten van de Vijzelstraat veroorzaakt in de middag op de percelen aan de Van Bleiswijkstraat, de Vijzelstraat en de Sint Nicolaasstraat een afname van de bezonning. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben deze conclusies niet bestreden.

De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vermindering niet zodanig is dat de omwonenden als gevolg van de toegestane bouwhoogte na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat zullen ondervinden. De voorzitter neemt hierbij in aanmerking dat het plangebied gelegen is in het centrum van Enkhuizen en daarmee in stedelijk gebied.

Stedelijke omgeving

2.7. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan niet overeenkomt met de doelstelling om de bestaande historische stedelijke omgeving te beschermen. [appellant sub 1] en anderen stellen tevens dat het plan niet in de omgeving past.

2.7.1. De raad wijst op de plantoelichting waarin naar zijn mening uitvoerig is gemotiveerd waarom de voorgestane bebouwing past binnen de karakteristiek van de omgeving en het beschermd stadsgezicht van Enkhuizen. Door bebouwing aan de rand te voorzien en de binnentuin open te houden wordt volgens de raad voldoende rekening gehouden met de historische stedelijke omgeving.

2.7.2. In de plantoelichting staat dat behoud van het gemengde karakter van het gebied, dat onder meer twee rijksmonumenten en een gemeentelijk monument omvat, het uitgangspunt vormt voor het ontwerp voor de nieuwe bebouwing. Zo ondersteunen de buitengevels van het bouwblok aan de Vijzelstraat en het Doelenlaantje het historische karakter van de binnenstad, die in zijn geheel is aangewezen als beschermd stadsgezicht. In het plan is aangesloten bij de omliggende bebouwing, veelal bestaande uit één bouwlaag en een kap. De niet-beschermde noordkant van het monumentale pand Vijzelstraat 24 zal gesloopt worden. De vervangende nieuwbouw zal een overgang vormen tussen de kleinschalige bebouwing aan de noordzijde en het rijksmonument zelf. De kwaliteit van het beschermde stadsgezicht wordt gewaarborgd door middel van toetsing aan welstandscriteria.

Ter zitting heeft de raad voorts te kennen gegeven dat de Vereniging Oud Enkhuizen, die bescherming van het stadsgezicht als doelstelling heeft, is betrokken bij de klankbordgroep ten behoeve van het plan en geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingediend noch beroep heeft ingesteld tegen het plan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan overeenkomt met de doelstelling om de bestaande historische stedelijke omgeving te beschermen en dat het plan binnen de omgeving past.

Verkeer en parkeren

2.8. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad zich bij het vaststellen van de parkeerbehoefte ten onrechte heeft gebaseerd op het door Ecorys opgestelde rapport 'Parkeerbehoefte Sociaal Medisch Centrum De Vijzeltuin Enkhuizen' van 6 september 2010 (hierna: het Ecorys-rapport). [appellanten sub 2] voeren aan dat feitelijk geen parkeerbehoefte kan worden vastgesteld omdat niet bekend is welke functies zich in het plangebied zullen vestigen. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het onderzoek van Ecorys niet alle functies die het plan mogelijk maakt zijn meegenomen en dat de parkeernormen zoals opgenomen in artikel 10 van de planregels dan ook ten onrechte op dit onderzoek zijn gebaseerd. Verder hebben [appellant sub 1] en anderen een tegenrapport overgelegd, het rapport 'Enkhuizen Vijzeltuin Expert Opinion op de parkeerbehoefteberekening' van 30 november 2010 (hierna: het tegenrapport).

Tevens wijzen [appellant sub 1] en anderen op het thans in gebruik zijnde parkeerterrein met 60 parkeerplaatsen aan de oostzijde van de Vijzelstraat, dat tengevolge van het plan zal verdwijnen. Zij stellen dat deze parkeerplaatsen onvoldoende gecompenseerd worden in het plan.

Verder betogen zij dat aanwending van wijzigingsbevoegdheid 2 een extra parkeerbehoefte impliceert waarvan niet duidelijk is of in het plan hiermee rekening is gehouden. Volgens hen had hiertoe in de planregels een wijzigingsregel dienen te worden opgenomen die inhoudt dat aan deze extra behoefte dient te worden voldaan, alvorens gebruik mag worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

Voorts stellen [appellant sub 1] en anderen dat de parkeernormen ten onrechte niet als bouwregels maar slechts als gebruiksregels in de planregels zijn opgenomen.

Tot slot betogen [appellant sub 1] en anderen dat het plan ten onrechte geen waarborg voor een veilige ontsluiting van de parkeergarage bevat.

2.8.1. De raad wijst er op dat door Ecorys uitgebreid onderzoek is verricht naar de parkeerbehoefte zoals volgt uit het Ecorys-rapport en uit de reactie op het tegenrapport.

Voorts is volgens de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening gehouden met de verschillende functies die de bestemming "Maatschappelijk (M)" mogelijk maakt en is voor het deel van het plangebied waar de toekomstige functie nog niet bekend is uitgegaan van de grootst mogelijke parkeerbehoefte.

De raad wijst er op dat in het onderzoek van Ecorys is uitgegaan van de gemiddelde kencijfers daar de functies die zijn voorzien binnen het plangebied overwegend lokale bezoekers zullen trekken, de inwoners van Enkhuizen op loop- en fietsafstand van het plangebied wonen, in de directe omgeving parkeerregulering geldt en een hoog autogebruik te verwachten is van inwoners uit de regio.

Verder stelt de raad dat [appellant sub 1] en anderen niet hebben aangetoond dat de resultaten van het Ecorys-rapport op onjuiste wijze tot stand zijn gekomen. Gelet hierop dient volgens de raad daarom van deze berekeningen uit te worden gegaan.

Met betrekking tot de compensatie van de 60 verdwijnende parkeerplaatsen stelt de raad dat dit aantal een uitgangspunt van de bestuursopdracht betrof en geen bindende voorwaarde waaraan in het plan dient te worden voldaan. Desondanks worden deze plaatsen 's avonds en in het weekend volledig gecompenseerd en kan gedurende weekdagen overdag worden volstaan met een compensatie van 30 (feitelijk 39) parkeerplaatsen.

Om te garanderen dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, zijn parkeernormen in de planregels opgenomen.

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen zal volgens de raad getoetst worden aan de parkeernorm. Indien de functie van het desbetreffende gebouw gewijzigd wordt, kan wederom getoetst worden aan de parkeernorm nu deze in de gebruiksregels is neergelegd, aldus de raad.

Voor de functies niet genoemd in artikel 10 van de planregels geldt de algemene parkeernorm uit de Bouwverordening.

Ten aanzien van de ontsluiting van de parkeergarage stelt de raad zich op het standpunt dat onderzoek door R&L Consultants heeft uitgewezen dat ter plaatse geen knelpunten zijn te verwachten wat betreft de verkeersafwikkeling. Ter optimalisering van de verkeerssituatie ter plaatse zal een parkeerverbod rondom de in- en uitritten gelden en kunnen spiegels geplaatst worden wanneer dit nodig is.

2.8.2. In het kader van het plan is door Ecorys onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Ecorys-rapport. De conclusie van dit rapport is dat voor het plangebied een maximale parkeerbehoefte bestaat van 159 plaatsen zonder dubbelgebruik en 129 plaatsen met dubbelgebruik. De werkelijke parkeerbehoefte zal lager uitvallen. Het aantal realiseerbare parkeerplaatsen bedraagt 138. Dit is voldoende gelet op de maximale parkeerbehoefte van 129 plaatsen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat van de 60 vervallen parkeerplaatsen er overdag 30 dienen te worden gecompenseerd en in de avonduren en het weekend 60. Verder is uitgegaan van zowel de CROW-kencijfers als van de door het gemeentebestuur gehanteerde parkeernormen en lokale metingen

Tevens is in dit kader door R&L Consultants onderzoek gedaan naar de verkeersafwikkeling ter hoogte van de voorziene parkeergarage. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Rapportage verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling 'De Vijzeltuin' te Enkhuizen' van 14 juni 2010 (hierna: het rapport van R&L Consultants). De conclusie van dit rapport is dat er geen knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid zijn te verwachten bij de voorziene parkeergarage aan het Spaans Leger. Daarbij heeft R&L Consultants wel te kennen gegeven dat ter plaatse van de in-/uitrit van de toekomstige parkeergarage weinig zicht op het verkeer in de straat bestaat. R&L Consultants adviseert om deze in-/uitrit zo vorm te geven dat er voldoende zicht ontstaat, bijvoorbeeld door het plaatsen van spiegels. Verder is het wenselijk een parkeerverbod in te stellen over een afstand van ongeveer 30 meter en wordt geadviseerd attentieverhogende maatregelen te nemen als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie.

2.8.3. In opdracht van [appellant sub 1] en anderen is door ir. Sj. Stienstra Adviesbureau stedelijk verkeer b.v. (hierna: Stienstra) een tegenrapport opgesteld. De conclusie van dit rapport is dat de gebruikte parkeernormen gebaseerd zijn op een onjuiste (te lage) parkeerbehoefteberekening, dat ten onrechte is uitgegaan van gemiddelde parkeerkencijfers, dat de lijst met parkeernormen uit artikel 10 van de planregels zich beperkt tot een aantal functies en dat de onderbouwing van de compensatie van 30 parkeerplaatsen voor openbaar parkeren ontoereikend is.

Ten aanzien van het rapport van R&L Consultants stelt Stienstra dat het plaatsen van spiegels als een noodmaatregel moet worden gezien om een niet optimale situatie acceptabel te maken. Het verdient volgens Stienstra aanbeveling om de detaillering van de parkeergarage nader onder de loep te nemen om een voldoende overzichtelijke in-/uitrit te realiseren die geen hulpmiddelen behoeft.

2.8.4. Ecorys heeft gereageerd op het tegenrapport van Stienstra in het rapport 'Antwoord Expert Opinion Vijzeltuin Sociaal Medisch Centrum De Vijzeltuin Enkhuizen' van 25 februari 2011. In dit rapport zijn de door Stienstra gemaakte kanttekeningen weerlegd. Ecorys ziet naar aanleiding van het tegenrapport geen aanleiding om de door haar berekende parkeerbehoefte te herzien.

In een nota van 8 maart 2011 heeft Stienstra gereageerd op de reactie van Ecorys. Hierin wordt geconcludeerd dat de reactienota van Ecorys de door Stienstra geconstateerde vraagtekens niet heeft kunnen wegnemen.

2.8.5. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Maatschappelijk (M)" bestemd voor maatschappelijk.

Ingevolge artikel 1.22 van de planregels wordt onder 'maatschappelijk' verstaan het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale en maatschappelijke dienstverlening, waaronder gezondheidszorg en/of kinderopvang en/of openbare dienstverlening en/of praktijkruimten en/of welzijnsinstellingen en/of zorginstellingen.

In artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn voor diverse maatschappelijke functies parkeerkencijfers opgenomen, waaraan voldaan dient te worden bij het verwezenlijken van de desbetreffende functie.

Ingevolge lid 10.2, dienen bij het bepalen van de parkeerbehoefte binnen het plangebied bovenop de in lid 10.1 genoemde parkeernormen, dertig parkeerplaatsen in het plangebied beschikbaar te zijn ter compensatie voor de bestaande omgeving.

2.8.6. Naar het oordeel van de voorzitter hebben [appellant sub 1] en anderen met het tegenrapport niet aannemelijk gemaakt dat het Ecorys-rapport zodanige gebreken bevat dat de raad hier niet van had mogen uitgaan. Het standpunt van de raad om, gelet op de reikwijdte en doelgroep van de binnen het plangebied beoogde functies en de bestaande parkeersituatie, uit te gaan van gemiddelde parkeerkencijfers komt de voorzitter niet onredelijk voor. De voorzitter betrekt hierbij tevens dat voor zover nog onbekend is welke functies zich in het plangebied zullen vestigen, uit is gegaan van de maximale parkeernorm. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt waarom 30 parkeerplaatsen ter compensatie van het aantal verdwijnende parkeerplaatsen niet toereikend zou zijn.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen uitgaan van de door Ecorys berekende parkeerbehoefte.

Hoewel [appellant sub 1] en anderen terecht stellen dat in artikel 10 van de planregels niet alle maatschappelijke functies zijn opgenomen die binnen de gronden met de bestemming "Maatschappelijk (M)" mogelijk zijn, overweegt de voorzitter dat het opnemen van parkeernormen in de planregels geen wettelijke verplichting is maar dat dit een keuze van de raad betreft. Voor maatschappelijke functies die niet genoemd zijn in artikel 10 van de planregels geldt de algemene parkeernorm uit de Bouwverordening. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de parkeernormen ten onrechte in de gebruiksregels zijn opgenomen waardoor niet is gewaarborgd dat een bouwplan hieraan dient te worden getoetst, overweegt de voorzitter dat bouwplannen getoetst worden aan het bestemmingsplan en daarmee ook aan de in de gebruiksregels opgenomen parkeernorm dienen te voldoen.

Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat binnen het plangebied 138 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 3, lid 3.6 overweegt de voorzitter dat blijkens dit artikel aanwending hiervan aan regels is gebonden, waaronder het kunnen voldoen aan de geldende parkeernorm. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 1] en anderen, inhoudende dat in de planregels ten onrechte niet is opgenomen dat bij gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid in de daaruit voortvloeiende parkeerbehoefte moet worden voorzien, feitelijke grondslag.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat als gevolg van de realisatie van het plan geen parkeerproblemen te verwachten zijn.

2.8.7. Ten aanzien van de ontsluiting van de voorziene parkeergarage overweegt de voorzitter dat gelet op 2.8.2 uit het rapport van R&L Consultants volgt dat er geen knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid zijn te verwachten bij de voorziene parkeergarage aan het Spaans Leger. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport dusdanige gebreken bevat dat de raad hier niet van had mogen uitgaan. De voorzitter betrekt hierbij dat ter zitting onweersproken door de raad is gesteld dat het Spaans Leger, de weg waar de parkeergarage op uitkomt, geen doorgaande weg is zodat het aantal verkeersbewegingen beperkt is en dat de raad heeft toegezegd dat maatregelen ter bevordering van de verkeersveiligheid zullen worden getroffen wanneer dit nodig blijkt te zijn. Verder worden concrete verkeersmaatregelen in beginsel niet in een bestemmingsplan geregeld.

Het betoog met betrekking tot de verkeersveiligheid faalt.

Rechtsonzekerheid planregels

2.9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat artikel 1.29 van de planregels rechtsonzeker is, nu niet duidelijk is wat onder de zinsnede 'van beperkte omvang' moet worden verstaan.

2.9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze bepaling niet rechtsonzeker is wanneer deze definitie gelezen wordt in samenhang met de overige planregels, waaruit volgt wat in dit geval de desbetreffende omvang omvat.

2.9.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels, zijn de gronden met de bestemming "Maatschappelijk (M)" ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - psychogeriatrische woningen' uitsluitend psychogeriatrische woningen inclusief ondersteunende ruimten toegestaan en/of een zorgfunctie met een gelijke dan wel lagere parkeerbelasting.

Ingevolge artikel 1.29 van de planregels betreffen psychogeriatrische woningen een beschermde woonomgeving, bestaande uit een zelfstandige woning, die naast één of meer privé-vertrekken voor de bewoners afzonderlijk, over een ruimte beschikt waar men gezamenlijk kan verblijven. De voorziening heeft een beperkte omvang.

2.9.3. In de begripsbepaling is niet nader omschreven wat onder 'beperkte omvang' in de zin van artikel 1.29 van de planregels dient te worden verstaan. Derhalve dient te worden aangesloten bij hetgeen in het normaal spraakgebruik onder 'beperkte omvang' dient te worden verstaan. Gelet hierop en nu psychogeriatrische woningen ingevolge het plan slechts mogelijk zijn binnen het daartoe aangeduide vlak binnen de bestemming "Maatschappelijk (M)" en de nadere aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-psychogeriatrisch (sm-psy)', is naar het oordeel van de voorzitter voldoende duidelijk wat onder 'beperkte omvang' in de zin van artikel 1.29 van de planregels moet worden verstaan.

2.10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het begrip 'maatschappelijk' in artikel 1.22 van de planregels te ruim is gedefinieerd.

2.10.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de functies genoemd in dit artikel vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.

2.10.2. Niet in geschil is dat artikel 1.22 van de planregels een veelheid aan activiteiten onder het begrip 'maatschappelijk' schaart. De voorzitter is echter van oordeel dat de raad in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het begrip niet zodanig ruim is omschreven dat dit tot rechtsonzekerheid leidt. Hierbij betrekt de voorzitter dat de ruimtelijke uitstraling van de onder artikel 1.22 genoemde functies ongeveer gelijk is en dat deze aansluiten bij hetgeen in het normale spraakgebruik onder 'maatschappelijk' wordt verstaan.

2.11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels een verplichting omvat die niet past binnen de strekking van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Verder betogen zij dat het begrip 'aanvullende zorg' ten onrechte niet gedefinieerd is en dat onzeker is hoeveel netto vierkante meters aan zorg kunnen worden gerealiseerd.

2.11.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 3 van de planregels voldoende duidelijk volgt wat onder aanvullende zorg moet worden verstaan. Hij heeft derhalve geen aanleiding gezien om een nadere definiëring in het plan vast te leggen. Verder heeft de raad te kennen gegeven dat bij het begrip 'vierkante meters' wordt uitgegaan van bruto vierkante meters, daar hij de gebruiker de vrijheid wil geven zelf te bepalen hoe hij deze ruimte invult.

2.11.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels, dient ter plaatse van de voor "Maatschappelijk (M)" aangewezen gronden met de aanduiding 'minimum vloeroppervlakte aanvullende zorg (m²)' ten minste 1.000 m² vloeroppervlak aanvullende zorg gerealiseerd te worden.

Ingevolge artikel 1.31 van de planregels moet onder het begrip 'vloeroppervlak' de totale oppervlakte van een gebouw met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en dienstruimten worden verstaan.

2.11.3. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, betekent het opnemen van een minimum aantal vierkante meters vloeroppervlak in de bouwregels van een bestemmingsplan voor nog uit te geven gronden niet dat een actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming wordt opgelegd. Een dergelijke regels legt immers geen bouwplicht op en reguleert niet het gebruik van gronden, maar stelt slechts een vereiste aan bouwplannen. Er bestaat in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het opnemen van een minimum aantal vierkante meters vloeroppervlak in de bouwregels van een bestemmingsplan voor nog uit te geven gronden in strijd is met het stelsel van de Wro.

In de begripsbepaling is niet nader omschreven wat onder 'aanvullende zorg' in de zin van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c van de planregels dient te worden verstaan. Gezien hetgeen voor het overige toegestaan is binnen de bestemming "Maatschappelijk (M)" is naar het oordeel van de voorzitter in voldoende mate duidelijk wat onder 'aanvullende zorg' moet worden verstaan. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een nadere definiëring niet nodig is.

De voorzitter is van oordeel dat gelet op artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, bezien in samenhang met 1.31 van de planregels, in deze planregeling wordt uitgegaan van bruto vierkante meters. Hoewel daarmee inderdaad niet is vastgelegd hoeveel netto vierkante meters zullen worden gerealiseerd, heeft de raad naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid de vrijheid van de gebruiker om de beschikbare vierkante meters zelf in te kunnen delen zwaarder kunnen laten wegen dan de noodzaak om een minimaal aantal netto vierkante meters in het plan vast te leggen.

2.12. [appellant sub 1] en anderen betogen dat artikel 10, lid 10.2, van de planregels, rechtsonzeker is nu niet duidelijk is tot wie dit voorschrift zich richt.

2.12.1. Ingevolge artikel 10, lid 10.2, van de planregels, dienen er bij het bepalen van de parkeerbehoefte binnen het plangebied, boven op de parkeernormen zoals genoemd in lid 10.1, dertig parkeerplaatsen in het plangebied beschikbaar te zijn ter compensatie voor de bestaande omgeving.

2.12.2. De voorzitter overweegt dat indien tot verwezenlijking van de bestemming wordt overgegaan, deze norm in acht dient te worden genomen. Derhalve dient degene die deze verwezenlijking op zich neemt er voor zorg te dragen dat hieraan voldaan wordt. Gelet hierop acht de voorzitter deze bepaling niet rechtsonzeker.

Flora en fauna

2.13. [appellanten sub 2] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan (inclusief het kappen van bomen) voor de aanwezige flora en fauna.

2.13.1. De raad wijst op de plantoelichting en op de ecologische onderzoeken uitgevoerd door Els & Linde B.V. Hieruit volgt dat de flora en fauna geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het plan, aldus de raad.

2.13.2. In 2009 is door Els & Linde B.V. een quick scan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten en naar de vraag of deze schade kunnen ondervinden van het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Ecologisch onderzoek De Vijzeltuin te Enkhuizen' uit juli 2009. De conclusie van dit rapport is dat gezien de aard, de ligging en de omvang van het plangebied niet kan worden uitgesloten dat vleermuizen in de gebouwen aanwezig zijn. Dit dient door middel van een aanvullend onderzoek te worden geïnventariseerd.

In 2010 is door Els & Linde nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen en vogels met een vaste verblijfplaats in gebouwen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Afdoend onderzoek flora en fauna Vijzelstraat' van 23 juni 2010 (hierna: het nadere rapport). Volgens het nadere rapport zijn geen vleermuizen of huismussen, maar wel twee gierzwaluwnesten aangetroffen. De conclusie van dit nadere rapport is dat voor vleermuizen of huismussen geen aanvullende maatregelen nodig zijn om schade te voorkomen en dat wanneer tijdens het broedseizoen geen verstoring zal plaatsvinden, het plan geen belemmering oplevert voor gierzwaluwen. Wel dienen compenserende maatregelen te worden genomen, bijvoorbeeld de plaatsing van een nestkast. Dit is volgens het rapport vrij eenvoudig te realiseren.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige flora en fauna de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Behoefte en draagvlak

2.14. Voor zover [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat onvoldoende draagvlak bestaat voor het plan en dat niet is gebleken dat het plan voorziet in een behoefte, overweegt de voorzitter het volgende.

In de plantoelichting staat dat met het plan beoogd wordt een zorgknooppunt voor de omgeving te creëren, in lijn met het beleid om de groeiende groep ouderen de juiste zorg te bieden. De enkele omstandigheid dat bepaalde zorginstellingen hebben afgezien van vestiging in het plangebied, wat daarvan ook zij, maakt vooralsnog niet dat aan dergelijke voorzieningen geen behoefte bestaat. Naar het oordeel van de voorzitter heeft de raad zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in een behoefte.

Voorts brengt de omstandigheid dat niet bij iedereen draagvlak is voor het in geding zijnde bestemmingsplan niet mee dat de uitvoerbaarheid van het plan in gevaar is.

Financiële uitvoerbaarheid

2.15. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet verzekerd is nu het plan gewijzigd is vastgesteld en onder meer 200 m² extra aanvullende zorg is voorzien, de parkeergarage verkleind is en een bouwlaag aan de oostzijde van het plan is geschrapt. Daarnaast brengt een goede ontsluiting van de parkeergarage extra kosten met zich. Zij betogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat deze wijzigingen geen nadelige invloed op de financiële uitvoerbaarheid van het plan hebben nu geen inzicht is gegeven in de desbetreffende financiële stukken. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen stellen dat de raad zich in dit kader ten onrechte beroept op geheimhouding en dat in strijd met artikel 3.8, derde lid, van de Wro is gehandeld.

Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een mogelijke heraanbesteding van de ontwikkeling van het zorgcentrum, dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun en dat onzeker is wat met de parkeergarage gebeurt, nu in artikel 8 van de overeenkomst met [belanghebbende] een koopoptie hiervoor is opgenomen.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de vergroting van het aantal vierkante meters aanvullende zorg geen negatieve consequenties heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Deze vergroting is voorzien binnen de bestemming "Maatschappelijk (M)", waarbij rekening is gehouden met alle functies die mogelijk zijn binnen deze bestemming, zo ook aanvullende zorg. Het schrappen van een bouwlaag en het verkleinen van de parkeergarage hebben volgens de raad juist een positieve invloed op de exploitatieopzet, daar minder kosten worden gemaakt. Ten aanzien van de koopoptie stelt de raad dat er nog geen voornemens bestaan tot gebruikmaking van de optie. Deze optie heeft dan ook geen invloed op de financiële uitvoerbaarheid, aldus de raad.

De raad stelt zich op het standpunt dat de gemeente op grond van Europese noch nationale regelgeving verplicht was tot aanbesteding. Hierdoor staat het de gemeente vrij om akkoord te gaan met eventuele wijzigingen nadat het project is vergeven. Bovendien is het plan niet op zodanige essentiële punten gewijzigd dat in het geheel zou kunnen worden gesproken van een noodzakelijke heraanbesteding.

Van ongeoorloofde staatssteun is volgens de raad geen sprake.

2.15.2. Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin onder andere de inzichten in de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.

Bij de vaststelling van een plan, waarin de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden en de regels omtrent het gebruik daarvan ter beoordeling voorliggen, dient een stelling dat mogelijk sprake is van onrechtmatige staatssteun te worden beoordeeld in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan.

2.15.3. Het niet ter beschikking stellen van de betrokken financiële stukken met het vastgestelde plan, wat daarvan ook zij, betreft een eventuele onregelmatigheid van na het bestreden besluit en kan reeds daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten.

In hoofdstuk 7 van de plantoelichting staat dat ten behoeve van de ontwikkeling van de gronden binnen het plangebied een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar, [belanghebbende], is gesloten en dat daarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Tevens zijn de opbrengsten tegen de kosten afgezet waaruit een positief saldo blijkt. Naar het oordeel van de voorzitter is niet aannemelijk geworden dat de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen niet bij het voorgaande zijn betrokken.

In hoofdstuk 7 van de plantoelichting staat tevens dat de geprojecteerde nieuwbouw gerealiseerd wordt door een ontwikkelaar en dat de gemeente de desbetreffende gronden tegen een marktconforme prijs aan deze ontwikkelaar zal verkopen. De verkoopprijs is tot stand gekomen na een openbare biedprocedure. Er is dus geen sprake van staatssteun en er wordt voldaan aan de voorwaarden van de mededeling van de Europese Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties. [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet juist zou zijn.

De voorzitter is van oordeel dat reeds om deze redenen geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad ervan uit had moeten gaan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende zou zijn gewaarborgd in verband met mogelijke aspecten van staatssteun.

Ten aanzien van de koopoptie zoals opgenomen in artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Enkhuizen en [belanghebbende], overweegt de voorzitter dat dit een omstandigheid betreft waarvan onzeker is of deze zich in de toekomst voor zal doen. Derhalve kan aan deze koopoptie in de onderhavige procedure geen belang worden toegekend.

Overigens wijst de voorzitter erop dat de Afdeling in zaak nr. 200905023/1/R3 van 13 april 2011 heeft overwogen dat een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, in het kader van een beroep tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van het betoog omtrent de mogelijke heraanbesteding overweegt de voorzitter dat de mogelijke verplichting tot aanbesteding van de uitvoering van het plan in het algemeen op zichzelf niet in de weg staan aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. [appellant sub 1] en anderen hebben in het beroepschrift noch ter zitting een motivering gegeven waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn.

Gelet op het vorenstaande, en gelet op de overgelegde exploitatie-opzet van 15 juni 2010, is naar het oordeel van de voorzitter voldoende aannemelijk en inzichtelijk geworden dat het plan financieel uitvoerbaar is.

2.16. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de wethouder onbehoorlijk zou hebben gehandeld, hebben zij dit niet aannemelijk gemaakt.

Conclusie

2.17. In hetgeen [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Nu de beroepsgronden niet slagen hoeft de voorzitter zich niet uit te spreken over de vraag of artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet op deze beroepsgronden van toepassing is.

Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen ongegrond;

II. wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

466-667.