Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201008274/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reiderland, thans gemeente Oldambt, geweigerd handhavend op te treden tegen de IJkdijktestlocatie nabij Booneschans, in het bos op Houwingaham te Bad Nieuweschans.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4886
JOM 2011/504
JB 2011/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008274/1/H1.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nieuweschans, gemeente Oldambt, en anderen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juli 2010 in zaak nr. 09/967 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reiderland, thans gemeente Oldambt, geweigerd handhavend op te treden tegen de IJkdijktestlocatie nabij Booneschans, in het bos op Houwingaham te Bad Nieuweschans.

Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar voor zover dat is ingediend door de entiteit "Belanghebbenden Hamdijkgebied" niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellant A] en anderen) ongegrond verklaard, en het bezwaar van de overige 59 bezwaarmakers eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant A] en anderen, de entiteit "Belanghebbenden Hamdijkgebied" en de overige 59 personen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door L. Hut en M.L. Beute, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar de Stichting IJkdijk, vertegenwoordigd door W.S. Zomer Msc, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De zogeheten IJkdijktestlocatie, aangelegd door de Stichting IJkdijk, is een testfaciliteit bedoeld voor het testen van technologie die kan bijdragen aan het beheer en het onderhoud van de Nederlandse dijken in de toekomst. [appellant] en anderen hebben het college bij schrijven van 5 maart 2009 verzocht handhavend op te treden tegen de Stichting IJkdijk, met als doel dat alle activiteiten op de testlocatie worden stilgelegd.

2.2. Het besluit van 27 augustus 2009 ziet op de toegangsweg naar de testlocatie en het aanwijzingsbord dat aan het begin van deze toegangsweg is geplaatst, nu deze zich op het grondgebied van de gemeente Oldambt bevinden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ten aanzien van de gronden waarop de eigenlijke testlocatie zich bevindt, niet het bevoegde gezag is, nu deze gronden in de gemeente Bellingwedde zijn gelegen. Hetgeen [appellant] en anderen ten aanzien van deze testlocatie hebben betoogd, staat in deze procedure dan ook niet ter beoordeling.

2.3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte slechts het zichtcriterium heeft gehanteerd bij het beantwoorden van de vraag wie van degenen die bij haar beroep hebben ingesteld, als belanghebbende zijn aan te merken als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Hiertoe voeren zij aan dat de negatieve effecten van de IJkdijklocatie zich niet beperken tot het zicht, nu zij hinder en schade ondervinden van de vrachtwagens die ten behoeve van de testlocatie van de toegangsweg gebruik maken. Tevens betogen zij dat, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank overweegt, niet alleen vanaf de adressen Hamdijk 10 en Hamdijk 21 zicht bestaat op de testlocatie, maar ook vanaf Hamdijk 2 en Hamdijk 9.

2.4.1. [appellant] en anderen betogen terecht dat de enkele omstandigheid dat een persoon geen zicht heeft op de weg, niet zonder meer meebrengt dat die persoon niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Of iemand belanghebbende is, moet worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling van de weg. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het vrachtverkeer dat gebruik maakt van de toegangsweg naar de testlocatie, deze toegangsweg slechts via de Hamdijk kan bereiken. Gelet op de aanzienlijke toename van het aantal (zware) verkeersbewegingen ter plaatse van de percelen aan de Hamdijk, volgens [appellant] en anderen enkele honderden, kan niet staande worden gehouden dat de ruimtelijke uitstraling van de toegangsweg zo gering is dat de personen die woonachtig zijn aan de Hamdijk en het verzoek om handhaving hebben ingediend, daargelaten of zij zicht hebben op de toegangsweg, niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Hamdijk als een landweg kan worden gekarakteriseerd, waar de verkeersintensiteit normaal gesproken beperkt is. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wat betreft de personen die niet woonachtig zijn aan de Hamdijk, heeft de rechtbank wel terecht geoordeeld dat zij niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden, gelet op de afstand van hun percelen tot de bedoelde verkeersbewegingen.

2.5. Het hoger beroep van de natuurlijke personen die niet woonachtig zijn aan de Hamdijk is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd. Het hoger beroep van de natuurlijke personen die woonachtig zijn aan de Hamdijk, niet zijnde [appellant A] en anderen, is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij hun beroep ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door hen ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 27 augustus 2009 vernietigen voor zover daarbij hun bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Nu hun beroepsgronden gelijkluidend zijn aan die van [appellant A] en anderen, en de rechtbank ten aanzien van die gronden reeds haar oordeel heeft gegeven, zal de Afdeling, na de beoordeling van het door [appellant A] en anderen ingestelde hoger beroep, onderzoeken of er grond bestaat om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

2.6. Vast staat dat de toegangsweg tot de testlocatie in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Nieuweschans", dat gold ten tijde van het besluit van 27 augustus 2009. Het college was derhalve bevoegd tot handhavend optreden.

2.7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid kon besluiten van handhavend optreden af te zien, omdat sprake was van concreet zicht op legalisering. Zij voeren hiertoe aan dat zij niet alleen aanzienlijke overlast van de toegangsweg ondervinden, maar als gevolg daarvan tevens schade hebben geleden.

2.8.1. Vast staat dat op 11 juni 2009 het ontwerp van het bestemmingsplan "Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos" ter inzage is gelegd. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op de gronden waarop de toegangsweg is gelegen de bestemming "Bos". Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bos, en zijn in de bestemming de bestaande wegen begrepen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de toegangsweg, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, zowel ten tijde van het voorontwerp van het bestemmingsplan als ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan reeds aanwezig was. Hieruit volgt dat deze toegangsweg in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos". Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het besluit van 27 augustus 2009 feiten of omstandigheden aanwezig waren die aanleiding gaven voor de verwachting dat het bestemmingsplan geen rechtskracht zou verkrijgen.

Nu ten tijde van het besluit van 27 augustus 2009 concreet zicht op legalisering bestond van de met het bestemmingsplan "Buitengebied Nieuweschans" strijdige situatie, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college van handhavend optreden mocht afzien. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant A] en anderen gestelde, door hen ondervonden hinder en schade ten gevolge van de toegangsweg, niet tot ingrijpen noopte. Hetgeen [appellant A] en anderen voor het overige naar voren brengen, dat met name ziet op de testlocatie zelf, die geen deel uitmaakt van deze procedure, kan, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, niet afdoen aan die conclusie en leidt zodoende evenmin tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.9. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat het college ten aanzien van het aanwijzingsbord dat aan het begin van de toegangsweg is geplaatst, terecht van handhavend optreden heeft afgezien, nu voor dergelijke borden ingevolge het bepaalde in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 5 van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken geen bouwvergunning is vereist.

2.10. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank niet onpartijdig was en dat haar uitspraak bij voorbaat vaststond, wordt overwogen dat zij ter onderbouwing van dit betoog geen concrete gegevens hebben aangedragen die daarop wijzen. Nu de rechtbank voorts, zoals hiervoor is overwogen, terecht tot het oordeel is gekomen dat het college van handhavend optreden mocht afzien, kan dit betoog niet leiden tot het door [appellant A] en anderen daarmee beoogde doel.

2.11. Het hoger beroep van [appellant A] en anderen is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de bezwaren van de natuurlijke personen die woonachtig zijn aan de Hamdijk, niet zijnde [appellant A] en anderen, tegen het besluit van 27 augustus 2009 alsnog ongegrond te verklaren, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit.

2.13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door [appellant] en anderen gestelde kosten van € 6.000,00 voor een in hun opdracht opgesteld deskundigenrapport, niet voor vergoeding in aanmerking komen, reeds omdat geen rapport is overgelegd dat van betekenis is geweest voor de beslissing op het ingestelde hoger beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de natuurlijke personen die woonachtig zijn aan de Hamdijk te Bad Nieuweschans waarvan het bezwaar door het college niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond;

II. verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juli 2010 in zaken nrs. 09/967, voor zover het beroep van genoemde personen daarbij ongegrond is verklaard;

IV. verklaart hun beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldambt van 27 augustus 2009, kenmerk MO/JZ/2009-1065, voor zover daarbij hun bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;

VI. verklaart het door hen gemaakte bezwaar ongegrond;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit;

VIII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oldambt tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 51,11 (zegge: eenenvijftig euro elf), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oldambt aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

457-619.