Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201010084/1/R3 en 201010084/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010, kenmerk 2010/70/2, heeft de raad het bestemmingsplan "Geluidsscherm N293 Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010084/1/R3 en 201010084/2/R3.

Datum uitspraak: 19 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Roermond,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010, kenmerk 2010/70/2, heeft de raad het bestemmingsplan "Geluidsscherm N293 Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.H.T. Heesakkers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens het college van gedeputeerde staten mr. I. Rezelman, W. Scheper, ing. M.A. Hendrix en ing. G.P.J. Schreuders gehoord, alsook [belanghebbende], namens Bewonersgroep Kitskensberg/Heide.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan strekt tot aanpassing van bestaande geluidsschermen langs een deel van de N293 Noord (hierna: de weg). Het plan voorziet in een verhoging van de geluidsschermen aan beide kanten van ongeveer twee meter tot vier meter. Voorts wordt het scherm aan de zuidzijde van de weg in oostelijke richting met ongeveer 100 meter en in westelijke richting met ongeveer 75 meter verlengd.

2.3. [appellant], die woont aan de ten noorden van de weg gelegen [locatie] vreest voor aantasting van zijn uitzicht door verhoging van de geluidsschermen. Hij betoogt voorts dat onvoldoende is onderzocht of het plan de benodigde geluidreductie tot gevolg zal hebben, onder meer bij de bovenste verdieping van zijn woning. Ook is volgens hem onvoldoende onderzocht of zou kunnen worden volstaan met maatregelen om de feitelijke snelheden op de provinciale weg terug te brengen tot de voorgeschreven maximum snelheid van 50 km per uur. De indicatieve geluidberekeningen, waarvan in de stukken sprake is, zijn niet ter inzage gelegd. Het spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening is gelegen in de omstandigheid dat een omgevingsvergunning voor de hogere geluidsschermen langs de N293 is verleend en dat naar verwachting op korte termijn op zijn bezwaar tegen die vergunning zal worden beslist, aldus [appellant].

2.4. Niet in geschil is dat geen sprake is van een reconstructie van de weg als bedoeld in de Wet geluidhinder, zodat op grond van deze wet geen verplichting bestond om aan het plan een akoestisch onderzoek ten grondslag te leggen. Dit neemt niet weg dat in voorkomende gevallen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat een akoestisch onderzoek noodzakelijk kan zijn.

2.5. De raad stelt zich op het standpunt dat akoestisch onderzoek in dit geval niet vereist was. Hij heeft daartoe verklaard dat het plan niet voortvloeit uit een wettelijke verplichting om de geluidniveaus ten gevolge van de weg in de omgeving te beperken, maar dat hiermee uitsluitend is beoogd tegemoet te komen aan de klachten die omwonenden hebben geuit over geluidhinder van het verkeer sinds de ingebruikname van de weg in 2007. Na overleg tussen gemeente, provincie en omwonenden is voor de in het plan neergelegde oplossing gekozen. Daarbij zijn aan de bewoners aan de hand van visualisaties verschillende varianten van geluidsschermen voorgelegd op basis van indicatieve berekeningen. Blijkens de berekeningen heeft de aanpassing van de schermen een gunstig effect op de geluidbelasting van de weg op de omliggende woningen. Dit staat los van de snelheidslimiet van 50 km per uur, aangezien deze zal blijven gelden en tegen eventuele snelheidsovertredingen handhavend zal worden opgetreden, aldus de raad.

2.6. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verrichten van een akoestisch onderzoek. De voorzitter ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onder deze omstandigheden geen doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de andere omwonenden bij beperking van het geluid van de weg boven het belang van [appellant]. Daarbij neemt de voorzitter mede in aanmerking dat ten tijde van de vaststelling van het plan ter plaatse van het perceel van [appellant] reeds tengevolge van de voor hem geplaatste bestaande geluidsschermen van een vrij uitzicht al geen sprake meer was.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011

240.