Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201010677/1/R1 en 201010677/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening Amstelveen Stadshart, Palet-Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010677/1/R1 en 201010677/3/R1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van de raad van de gemeente Amstelveen om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 5 januari 2011, in zaak nr. 201010677/2/R1, getroffen voorlopige voorziening en, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], wonend te Amstelveen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amstelveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening Amstelveen Stadshart, Palet-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2010, beroep ingesteld. Bij deze brief hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 5 januari 2011 heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van 15 september 2010 geschorst.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2011, heeft de raad verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen.

[appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 maart 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door J. de Poorter, J. van der Kroft, K. Martheze, P. van den Bergh en M. Boerma, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [appellanten], bijgestaan door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, en basisschool "Het Palet Noord", vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een nader stuk in het geding gebracht.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan maakt een schoolgebouw voor basisonderwijs, naschoolse opvang, peuterspeelzalen en een gymzaal mogelijk op de locatie van de huidige basisschool "Het Palet Noord" en het huidige gebouw aan de Aalberselaan waarin een kinderdagverblijf, een afdeling van de dienst Jeugdzorg en een vluchtelingenorganisatie zijn gehuisvest.

2.3. Bij uitspraak van 5 januari 2010 heeft de voorzitter geoordeeld dat de raad vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat de parkeer- en verkeersdruk in de straat van [appellanten] niet onaanvaardbaar zal toenemen vanwege het plan en het besluit van de raad van 15 september 2010 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

2.3.1. De raad stelt dat met de aanvullende onderzoeksnotitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" en de memo "Aanvullende berekeningen luchtkwaliteit Palet-Noord, Amstelveen" van 3 februari 2011 de door de voorzitter geconstateerde gebreken wat betreft de aspecten verkeer en parkeren zijn weggenomen.

2.3.2. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de aanvullende onderzoeksnotitie en de memo buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze te laat in de onderhavige procedure naar voren zijn gebracht.

2.3.3. De voorzitter stelt voorop dat de aanvullende onderzoeksnotitie en de memo een nadere onderbouwing vormen van de eerder door de raad ingenomen stelling dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare parkeer- en verkeersdruk noch een onaanvaardbare verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze stukken zijn op 9 februari 2011, derhalve ruim voor het verstrijken van de tien dagen-termijn in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb ingekomen bij de Afdeling. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij op dit punt onredelijk in hun procesvoering zijn bemoeilijkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellanten] zich in hun nadere stuk en ter zitting uitvoerig hebben uitgelaten over de aanvullende stukken van de raad en in reactie daarop tevens de memo "Analyse verkeer en parkeren Palet Noord" van Spapé en Christiaens van 3 maart 2011 hebben doen opstellen. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien de onderzoeksnotitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" en de memo "Aanvullende berekeningen luchtkwaliteit Palet-Noord, Amstelveen" van 3 februari 2011 wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

2.4. [appellanten] voeren aan dat hun zienswijze te beknopt is weergegeven in de "Nota van beantwoording zienswijzen" en dat de beantwoording daarvan onvolledig is. Voorts betogen zij dat zij ten onrechte niet zijn gehoord naar aanleiding van hun zienswijze.

2.4.1. In de "Nota van beantwoording ontvangen zienswijzen en beantwoording zienswijzen" is ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijze. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten niet in de besluitvorming zijn betrokken.

Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat zij ten onrechte niet zijn gehoord naar aanleiding van hun zienswijze, wordt overwogen dat geen wettelijk voorschrift hiertoe verplicht. [appellanten] hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de raad hiertoe niettemin uit het oogpunt van een zorgvuldige besluitvorming had moeten overgaan.

2.5. [appellanten] stellen dat de "Nota van beantwoording ontvangen zienswijzen en beantwoording zienswijzen" alsmede artikel 2.2.2 van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd.

2.5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.5.2. De voorzitter stelt voorop dat het betoog dat de "Nota van beantwoording ontvangen zienswijzen en beantwoording zienswijzen" van augustus 2010 niet ter inzage is gelegd betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Reeds om deze reden kan dit de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit.

Ten aanzien van het betoog dat artikel 2.2.2 van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol ten onrechte niet ter inzage is gelegd, wordt overwogen dat dit besluit een openbaar stuk is dat niet in het kader van de onderhavige procedure is opgesteld. Het betreft derhalve geen op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, zodat de raad het stuk niet met het ontwerpplan ter inzage hoefde te leggen.

2.6. [appellanten] betogen dat artikel 6.2.1, aanhef en onder b, van de planregels niet in overeenstemming is met de verbeelding. Hiertoe stellen zij dat ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder b, van de planregels voor het gedeelte grenzend aan de westzijde van het bruggedeelte een maximale bouwhoogte van 9 meter geldt, terwijl blijkens de verbeelding voor een aanzienlijk deel ten westen van de brug een bouwhoogte van 13 meter geldt.

2.6.1. Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder b, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen dat de hoogte van een gebouw niet meer dan 6 meter mag bedragen. Voor een overbouwde doorgang, ter plaatse aangeduid met 'onderdoorgang', geldt een maximale bouwhoogte van 13 meter voor het bruggedeelte en 9 meter voor het gedeelte grenzend aan de westzijde van het bruggedeelte.

2.6.2. Op de verbeelding is ten westen van het bruggedeelte een maatvoeringsvlak met een bouwhoogte tot 9 meter weergegeven. Naar het oordeel van de voorzitter is duidelijk dat in artikel 6.2.1, aanhef en onder b, van de planregels dit maatvoeringsvlak wordt bedoeld met de zinsnede "grenzend aan de westzijde van het bruggedeelte". Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verbeelding op dit punt niet in overeenstemming is met de planregels.

2.7. [appellanten] wonen aan het Dr. C. Lelyplantsoen in de directe omgeving van het plangebied en hebben daar tevens een belastingadvieskantoor. Zij stellen zich met verwijzing naar de memo "Analyse verkeer en parkeren Palet Noord" van Spapé en Christiaens van 3 maart 2011 op het standpunt dat uit de onderzoeksnotitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" niet volgt dat geen sprake is van een onaanvaardbare toename van de parkeer- en verkeersdruk aan het Dr. C. Lelyplantsoen. Hiertoe voeren zij aan dat in voornoemde notitie de verkeerstoename onjuist is berekend, nu is uitgegaan van een groter oppervlak van het bestaande schoolgebouw dan het daadwerkelijke oppervlak. [appellanten] voeren verder aan dat bij de berekening van de verkeerstoename en de extra parkeerbehoefte is uitgegaan van minder klaslokalen dan de achttien klaslokalen voor basisonderwijs die het plan volgens de aanvraag om bouwvergunning mogelijk maakt. Verder betogen zij dat ten onrechte geen nulmeting is verricht en dat het door de raad eerst ter zitting overlegde stuk dat betrekking heeft op een parkeer- en verkeersschouw van 20 september 2007 buiten beschouwing moet worden gelaten.

Nu niet zeker is dat de verkeerstoename juist is berekend moet tevens worden getwijfeld of de conclusie in het rapport "Onderzoek geluidsbelasting en luchtkwaliteit" van M+P - raadgevende ingenieurs van 19 november 2009 en de aanvullende berekeningen van 3 februari 2011 juist is dat het plan niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, aldus [appellanten].

2.7.1. De raad stelt dat uit de onderzoeksnotitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" volgt dat de etmaalintensiteit als gevolg van de gehele planontwikkeling toeneemt met 107 autobewegingen. De raad acht deze verkeerstoename aanvaardbaar op de wegen in de omgeving van "Het Palet Noord" waar een 30 km regime geldt. Hiertoe stelt hij dat het aantal autobewegingen, inclusief de verkeerstoename vanwege de nieuwbouwlocatie, fors lager blijft dan 2500 autobewegingen per etmaal, hetgeen op een weg met een maximumsnelheid van 30 km per uur toelaatbaar is.

Voorts stelt de raad met verwijzing naar de onderzoeksnotitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" dat het plan leidt tot een behoefte aan 4,4 tot 7,2 extra parkeerplaatsen voor werknemers en 14,1 tot 27 extra parkeerplaatsen voor kiss & ride, zogenoemd kortstondig parkeren. Met zeven extra parkeerplaatsen voor werknemers wordt in zoverre voorzien in de parkeerbehoefte, aldus de raad. Hij stelt dat tevens wordt voorzien in de parkeerbehoefte voor kortstondig parkeren, omdat het plan voorziet in tien extra parkeerplaatsen voor kiss & ride en de bestaande parkeerbehoefte met vier plaatsen afneemt door de verhuizing van de dienst jeugdzorg en de kledingbank aan de Aalberselaan. Dit in acht genomen wordt met tien parkeerplaatsen voor kortstondig parkeren voldaan aan het minimumaantal benodigde parkeerplaatsen. De raad acht dit aanvaardbaar. Hiertoe stelt hij dat minder kinderen met de auto naar school worden gebracht, gelet op de ligging van de school in stedelijk gebied en op de omstandigheden dat de meeste kinderen dichtbij school wonen en voor het parkeren in de omgeving van de school een vergunning nodig is. De raad stelt verder dat de nieuwbouw in ieder geval geen parkeeroverlast veroorzaakt aan het Dr. C. Lelyplantsoen. In dit verband wijst hij erop dat de kiss & ride zone alsmede de ingang van de basisschool aan de Aalberselaan zullen worden gesitueerd. Daarbij komt dat de bestaande eenrichtingsstructuur en het parkeervergunningenstelsel aan het Dr. C. Lelyplantsoen wordt gehandhaafd, hetgeen parkeren voor bezoekers van "Het Palet Noord" ter plaatse onaantrekkelijk maakt, aldus de raad.

Verder stelt de raad op grond van het rapport "Onderzoek geluidsbelasting en luchtkwaliteit" van M+P - raadgevende ingenieurs van 19 november 2009 en de aanvullende memo van 3 februari 2011 dat geen grenswaarden voor stikstofdioxide of fijn stof worden overschreden.

2.7.2. De voorzitter overweegt dat de goede procesorde zich ertegen verzet dat het door de raad eerst ter zitting overgelegde stuk dat betrekking heeft op een parkeer- en verkeersschouw van 20 september 2007 bij de beoordeling wordt betrokken. Hiertoe wordt overwogen dat het gelet op de aard van het genoemde stuk voor [appellanten] niet mogelijk was ter zitting hierop op een adequate wijze te reageren. Voorts is niet gebleken dat dit stuk niet eerder in de procedure naar voren kon worden gebracht.

2.7.3. De voorzitter overweegt dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat in de onderzoeksnotitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" ten onrechte is uitgegaan van een totaal bebouwingsoppervlak van 2315 m² van de huidige locatie van "Het Palet Noord". Weliswaar staat in de aanvraag om bouwvergunning dat het huidige oppervlak 1903 m² bedraagt, maar de raad heeft ter zitting toegelicht dat de noodlokalen met een oppervlak van ongeveer 400 m² in de desbetreffende aanvraag niet zijn meegerekend. Voorts leidt het betoog dat het oppervlak van het hoofdgebouw en de noodlokalen tezamen volgens de onderzoeksnotitie 1165 m² bedraagt, terwijl dit oppervlak volgens een kadastrale kaart 851 m² bedraagt niet tot het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de cijfers in de onderzoeksnotitie. Hierbij betrekt de voorzitter de verklaring van de raad ter zitting dat in de onderzoeksnotitie is uitgegaan van het oppervlak van het bouwvlak alsmede van bebouwing in twee lagen, terwijl op de kadastrale kaart het bruto-vloeroppervlak is weergegeven. Naar aanleiding van de uitleg van de raad is ter zitting bovendien gebleken dat [appellanten] de cijfers op de kadastrale kaart onjuist hebben geïnterpreteerd.

De voorzitter stelt verder vast dat de toename van de parkeerbehoefte alsmede de verkeerstoename als gevolg van het plan aan de hand van de CROW-normen zijn berekend. Dit zijn algemeen aanvaarde normen voor de berekening van parkeer- en verkeerscijfers. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad in dit geval niet heeft kunnen uitgaan van die normen. Gelet hierop bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een nulmeting had moeten verrichten. Voorts faalt het betoog dat de noodlokalen bij de berekening van de parkeerbehoefte buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten vanwege het tijdelijk karakter daarvan. Hiertoe wordt overwogen dat de noodlokalen thans feitelijk aanwezig zijn en dat in de gehanteerde berekening op grond van de CROW-normen wordt uitgegaan van de feitelijk bestaande situatie.

Ten aanzien van het betoog dat het plan, gelet op de aanvraag om bouwvergunning, meer klaslokalen mogelijk maakt dan waarvan in de onderzoeksnotitie is uitgegaan, wordt als volgt overwogen. Niet in geschil is dat thans elf lokalen voor basisonderwijs aanwezig zijn, inclusief vier noodlokalen. In de plantoelichting staat dat het extra programma voor de nieuwbouwlocatie van "Het Palet Noord" bestaat uit vier leslokalen voor basisonderwijs. Uit de aanvraag om bouwvergunning volgt dat het plan achttien lokalen voor basisonderwijs mogelijk maakt, zogenoemde groepsruimtes. Dit zijn drie lokalen meer dan uit de plantoelichting volgt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plan voor de basisschool weliswaar voorziet in drie extra groepsruimtes, maar dat deze extra ruimtes nodig zijn voor activiteiten, welke buiten het eigen leslokaal plaatsvinden. Daarbij moet worden gedacht aan activiteiten als handenarbeid, spelen en muziekles. [appellanten] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd welke aanleiding geven voor het oordeel dat van deze toelichting van de raad niet kan worden uitgegaan.

Gelet op het voorgaande wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad niet van de deugdelijkheid van de notitie "Verkeer en parkeren Palet Noord" heeft kunnen uitgaan. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van deze notitie niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de parkeer- en verkeersdruk aan het Dr. C. Lelyplantsoen niet onaanvaardbaar zal toenemen als gevolg van het plan. Hierbij betrekt de voorzitter dat de verkeersintensiteit op het Dr. C. Lelyplantsoen ruim onder de daarvoor gestelde norm blijft. Het betoog van [appellanten] geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet mocht uitgaan van de conclusie in het rapport "Onderzoek geluidsbelasting en luchtkwaliteit" van M+P -raadgevende ingenieurs van 19 november 2009 en de aanvullende memo van 3 februari 2011 dat geen grenswaarden voor stikstofdioxide of fijn stof worden overschreden.

2.8. [appellanten] stellen zich verder op het standpunt dat het schoolgebouw vanwege de maximumbouwhoogte van 13 meter en de aanzienlijke bouwmassa niet past in de omgeving. Zij vrezen tevens voor een verslechtering van hun woon- en leefklimaat. In dit verband betogen zij dat een ruimere afstand tussen de nieuwbouw en hun woning moet worden aangehouden dan 20 meter.

2.8.1. In de plantoelichting is vermeld dat de bebouwing in de omgeving van het plangebied bestaat uit twee of drie lagen met maximumbouwhoogtes van 6 meter tot 11 meter. Voorts is vermeld dat op enkele locaties in de omgeving van de school hogere bebouwing staat. Hetgeen is aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het schoolgebouw in zoverre in de omgeving past. Hierbij wordt in aanmerking genomen de omvang van het bouwvlak en het feit dat niet binnen het gehele bouwvlak tot 13 meter mag worden gebouwd.

Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan vanwege de gevolgen voor hun woon- en leefklimaat niet heeft kunnen vaststellen. Hierbij is van belang dat in de huidige situatie reeds een school met twee lagen en een kap aanwezig is, niet binnen het gehele bouwvlak tot een hoogte van 13 meter mag worden gebouwd en het plan voorziet in een groenstrook tussen hun woning en de nieuwbouw. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de nieuwbouw op de zijgevel van de woning zal zijn georiënteerd.

2.9. [appellanten] betogen dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

2.9.1. Volgens de plantoelichting wordt de nieuwbouw gefinancierd uit het Investeringsfonds Onderwijshuisvesting. In het verweerschrift staat dat dit definitief is opgenomen in de vastgestelde programmabegroting voor 2010. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan moet worden getwijfeld.

2.10. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Gelet op het voorgaande en artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb vervalt de bij uitspraak van 5 januari 2011, in zaak nr. 201010677/2/R1, getroffen voorlopige voorziening. Derhalve bestaat aanleiding het verzoek om het opheffen van de voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

472-646.