Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201011816/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de minister terecht betoogt, heeft de staatssecretaris bij besluit van 10 augustus 2009 uitsluitend het besluit van 20 juli 2009 ingetrokken, doch niet het besluit van 7 januari 2009, waarbij de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning is verlengd. Nu het laatstgenoemde besluit in stand is gebleven, is van intrekking van voormelde verblijfsvergunning geen sprake, zodat uitoefening van de in artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Vw 2000 opgenomen bevoegdheid om een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te trekken hier niet aan de orde is. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet bevoegd was het besluit van 20 juli 2009 in te trekken, omdat geen van de in voormelde artikelen genoemde intrekkingsgronden zich voordeed. De rechtbank heeft bovendien niet onderkend dat, nu de staatssecretaris bevoegd was het besluit van 20 juli 2009 te nemen, hij – binnen de door het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel bepaalde grenzen – ook bevoegd was dit besluit te wijzigen of in te trekken indien dit naar zijn opvatting onjuist was.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2006 in zaak nr. 200602112/1, JV 2006/372), is in artikel 4, tweede lid, van de Wav en het daarop gebaseerde Besluit uitputtend geregeld aan welke vreemdelingen een aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid wordt afgegeven. Voor afgifte van zodanige aantekening aan een vreemdeling die niet tot een van de aangewezen categorieën behoort, biedt de Wav geen ruimte. Nu de vreemdeling geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, van de Wav en artikel 2 van het Besluit, is het, zoals de minister terecht betoogt, wettelijk niet mogelijk bij de verleende verblijfsvergunning de arbeidsmarktaantekening 'arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist' af te geven. De rechtbank heeft niet onderkend dat het rechtszekerheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel zo ver strekt dat het de staatssecretaris in het onderhavige geval niet was toegestaan om het in strijd met voormelde bepalingen genomen besluit van 20 juli 2009 in te trekken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenwet 2000 19
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 4
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011816/1/V1.

Datum uitspraak: 14 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 11 november 2010 in zaak nr. 09/32412 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingewilligd.

Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'voor het ondergaan van medische behandeling', met als arbeidsmarktaantekening 'arbeid niet toegestaan', geldig van 24 oktober 2007 tot 24 oktober 2008. Bij besluit van 7 januari 2009 heeft de staatssecretaris de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning verlengd tot 24 oktober 2009. Bij besluit van 20 juli 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning te verlengen onder de arbeidsmarktaantekening 'arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist'. In het bij de rechtbank bestreden besluit van 10 augustus 2009 heeft de staatssecretaris het voormelde besluit van 20 juli 2009 ingetrokken en het door de vreemdeling tegen het besluit van 7 januari 2009 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

2.2. In de eerste grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 10 augustus 2009 de intrekking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning betreft, onder hernieuwde verlening hiervan met een gewijzigde arbeidsmarktaantekening en dat de staatssecretaris hiertoe ingevolge artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna de Vw 2000) niet bevoegd was. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de intrekking van het besluit van 20 juli 2009 het besluit van 7 januari 2009, waarbij de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning is verlengd, ongemoeid is gelaten, zodat van intrekking van de verblijfsvergunning geen sprake is geweest.

2.2.1. Zoals de minister terecht betoogt, heeft de staatssecretaris bij besluit van 10 augustus 2009 uitsluitend het besluit van 20 juli 2009 ingetrokken, doch niet het besluit van 7 januari 2009, waarbij de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning is verlengd. Nu het laatstgenoemde besluit in stand is gebleven, is van intrekking van voormelde verblijfsvergunning geen sprake, zodat uitoefening van de in artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Vw 2000 opgenomen bevoegdheid om een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te trekken hier niet aan de orde is. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet bevoegd was het besluit van 20 juli 2009 in te trekken, omdat geen van de in voormelde artikelen genoemde intrekkingsgronden zich voordeed. De rechtbank heeft bovendien niet onderkend dat, nu de staatssecretaris bevoegd was het besluit van 20 juli 2009 te nemen, hij – binnen de door het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel bepaalde grenzen – ook bevoegd was dit besluit te wijzigen of in te trekken indien dit naar zijn opvatting onjuist was.

De grief slaagt.

2.3. In de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de intrekking van het besluit van 20 juli 2009 eveneens in strijd met rechtszekerheidsbeginsel is. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij geen beoordelingsruimte heeft bij het afgeven van een arbeidsmarktaantekening en dat het niet mogelijk is bij de verleende verblijfsvergunning een andere arbeidsmarktaantekening af te geven. Volgens de minister heeft de rechtbank dan ook niet onderkend dat de staatssecretaris de gemaakte fout, te weten het contra legem afgeven van een onjuiste arbeidsmarktaantekening, mocht herstellen.

2.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is dat verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie, waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

Ingevolge het tweede lid wordt zodanige aantekening afgegeven aan een vreemdeling:

a. die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder b of d, van de Vw 2000;

b. die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd;

c. die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

In artikel 2 van het Besluit uitvoering Wav (hierna: het Besluit) staan de categorieën vreemdelingen bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder c, van de Wav vermeld, aan wie een aantekening als bedoeld in voormeld artikel 4, eerste lid, van de Wav wordt afgegeven.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2006 in zaak nr. 200602112/1, JV 2006/372), is in artikel 4, tweede lid, van de Wav en het daarop gebaseerde Besluit uitputtend geregeld aan welke vreemdelingen een aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid wordt afgegeven. Voor afgifte van zodanige aantekening aan een vreemdeling die niet tot een van de aangewezen categorieën behoort, biedt de Wav geen ruimte. Nu de vreemdeling geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, van de Wav en artikel 2 van het Besluit, is het, zoals de minister terecht betoogt, wettelijk niet mogelijk bij de verleende verblijfsvergunning de arbeidsmarktaantekening 'arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist' af te geven. De rechtbank heeft niet onderkend dat het rechtszekerheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel zo ver strekt dat het de staatssecretaris in het onderhavige geval niet was toegestaan om het in strijd met voormelde bepalingen genomen besluit van 20 juli 2009 in te trekken.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 10 augustus 2009 worden beoordeeld in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.3.2 is het, anders dan de vreemdeling betoogt, niet mogelijk door gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid bij de verleende verblijfsvergunning een andere arbeidsmarktaantekening af te geven. Gelet hierop heeft de staatssecretaris bovendien terecht op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk geacht over de ongegrondheid van het door de vreemdeling gemaakte bezwaar. De staatssecretaris mocht derhalve met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen van de vreemdeling afzien.

2.5. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 10 augustus 2009 dient ongegrond te worden verklaard.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 11 november 2010 in zaak nr. 09/32412;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Beerse

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011

523.

Verzonden: 14 april 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser