Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201102835/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu vast staat dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld de authenticiteit van de door hem overgelegde overlijdensakten aan te tonen, omdat de originele stukken zich onder de minister bevonden en deze ondanks zijn reeds in de bestuurlijke fase gedane en in beroep gehandhaafde verzoek niet aan hem ter beschikking zijn gesteld, heeft de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat de Koninklijke Marechaussee in het proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2011 heeft geconcludeerd dat de overlijdensakten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn, ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat deze stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden behelzen. De voorzieningenrechter is er hiermee ten onrechte aan voorbijgegaan dat onder deze omstandigheden aan de vreemdeling, zoals uit de onder 2.1.4. beschreven jurisprudentie van de Afdeling volgt, in beroep gelegenheid moest worden geboden om alsnog de authenticiteit van de stukken aan te tonen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102835/1/V2.

Datum uitspraak: 14 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 februari 2011 in zaak nrs. 11/4127 en 11/4128 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de door hem overgelegde overlijdensakten van zijn vader en broer, ten betoge dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst, Irak, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor deze overweging heeft de voorzieningenrechter, volgens de vreemdeling, ten onrechte redengevend geacht dat de Koninklijke Marechaussee in het proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2011 heeft geconcludeerd dat de overlijdensakten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn. Aldus is de voorzieningenrechter, volgens de vreemdeling, er ten onrechte aan voorbijgegaan dat hij in de beroepsfase de authenticiteit van deze stukken nog had moeten kunnen aantonen, maar dat hem daartoe geen mogelijkheid is geboden nu de minister hem de stukken, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, niet heeft doen toekomen.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 10 juni 2008, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 15 september 2009, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 4 februari 2011 is van gelijke strekking als het besluit van 15 september 2009, zodat op het daartegen ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.1.4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007 in zaak nr. 200704465/1; www.raadvanstate.nl), kunnen door de desbetreffende vreemdeling overgelegde stukken niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, indien de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld. Als niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan dat sprake is van authentieke stukken, is het aan de vreemdeling dit in beroep alsnog aan te tonen.

2.1.5. Nu vast staat dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld de authenticiteit van de door hem overgelegde overlijdensakten aan te tonen, omdat de originele stukken zich onder de minister bevonden en deze ondanks zijn reeds in de bestuurlijke fase gedane en in beroep gehandhaafde verzoek niet aan hem ter beschikking zijn gesteld, heeft de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat de Koninklijke Marechaussee in het proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2011 heeft geconcludeerd dat de overlijdensakten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn, ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat deze stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden behelzen. De voorzieningenrechter is er hiermee ten onrechte aan voorbijgegaan dat onder deze omstandigheden aan de vreemdeling, zoals uit de onder 2.1.4. beschreven jurisprudentie van de Afdeling volgt, in beroep gelegenheid moest worden geboden om alsnog de authenticiteit van de stukken aan te tonen. De grief slaagt.

2.2. Hetgeen in de tweede grief is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. De rechtbank zal de vreemdeling de gelegenheid moeten bieden om alsnog de authenticiteit van eerdergenoemde stukken aan te tonen. Voor zover zich daarbij de omstandigheid mocht voordoen dat de vreemdeling niet de beschikking over deze stukken kan krijgen, dient de rechtbank te bezien welke betekenis daaraan toekomt bij de beantwoording van de vraag of de stukken nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 februari 2011 in zaak nr. 11/4127;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011

563.

Verzonden: 14 april 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser