Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1922

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201008071/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te Elsendorp. Dit besluit is op 12 juli 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008071/1/M2.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel,

2. [appellant sub 2], wonend te Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te Elsendorp. Dit besluit is op 12 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, eveneens bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 15 september 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep eveneens aangevuld bij brief van 15 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. Y de Graaf, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. Y. de Graaf, en het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en M. van Gils, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om de revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat niet vaststaat of er bij de beoordeling van de geurhinder van de inrichting terecht van is uitgegaan dat de geuremissie van de inrichting 0,24 odour units per seconde per dier bedraagt. Volgens hen staat niet vast of terecht voor het toegepaste stalsysteem een geurnorm van 0,24 odour units per seconde per dier is gehanteerd. Daartoe wijzen zij er op dat in de bij het stalsysteem 'stal met mixluchtventilatie' behorende leaflet wel een norm is vermeld voor ammoniakemissie, maar niet voor geuremissie. Daarnaast voeren zij aan dat op grond van de tussen de gemeente Gemert-Bakel en [vergunninghouder] gesloten overeenkomst van 8 februari 2010 een grotere reductie van de geuremissie dient te worden bewerkstelligd dan waartoe de verleende vergunning verplicht. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] schrijft de desbetreffende overeenkomst namelijk een geurnorm voor van 0,14 odour units per seconde per dier.

2.2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting op een geurgevoelig object meer bedraagt dan de in dit artikel genoemde waarden.

Ingevolge artikel 10 worden, voor zover hier van belang, bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, regels gesteld over de wijze waarop onder meer de geurbelasting, bedoeld in artikel 3 wordt bepaald.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Regeling) is de geuremissie vanuit een veehouderij de som van de voor de verschillende diercategorieën, gehouden in de onderscheiden dierenverblijven, berekende aantallen odour units per seconde per dier.

Ingevolge het zesde lid is het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie, het aantal dieren van een diercategorie vermenigvuldigd met de voor de betreffende diercategorie in bijlage 1 opgenomen geuremissiefactor.

In bijlage 1 is onder E 5 vermeld dat voor vleeskuikens die worden gehouden in emissiearme en overige huisvesting een emissiefactor van 0,24 odour units per seconde per dier geldt.

2.2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van vleeskuikens in stallen met een mixluchtventilatiesysteem in combinatie met een olievernevelingssysteem. Het college is bij de boordeling van de geurhinder uitgegaan van een emissiefactor voor de vleeskuikens van 0,24 odour units per seconde per dier.

2.2.3. In bijlage 1 van de Regeling zijn onder E 5 voor vleeskuikens voor enkele stalsystemen emissiefactoren vastgesteld. Het aangevraagde en bij het bestreden besluit vergunde stalsysteem wordt niet genoemd, zodat hiervoor de onder E 5 genoemde emissiefactor van 0,24 odour units per seconde per dier geldt voor emissiearme en overige huisvesting. Gelet op artikel 10 van de Wet geurhinder in samenhang met artikel 2, vijfde en zesde lid, van de Regeling en bijlage 1 bij de Regeling heeft het college terecht bij de geurberekening een emissiefactor van 0,24 odour units per seconde per dier gehanteerd. Aan de omstandigheid dat tussen de gemeente en [vergunninghouder] zou zijn overeengekomen dat een grotere geurreductie dient te worden bewerkstelligd komt, gelet op de in rechtsoverweging 2.2.1 genoemde artikelen, bij de beoordeling van de geurhinder in het kader van de beslissing op een aanvraag om een milieuvergunning geen betekenis toe.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het college in de hoge geuremissie van de inrichting aanleiding had moeten zien strengere eisen ten aanzien van geur te stellen dan voortvloeien uit de Wet geurhinder en de Verordening geurhinder en veehouderij zoals vastgesteld door de gemeente Gemert-Bakel bij besluit van 15 november 2007 (hierna: de geurverordening). Volgens hen had het college de aanvraag moeten afwijzen dan wel strengere eisen in de vergunning moeten opnemen.

2.3.1. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, geldt het eerste lid niet voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken.

2.3.2. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beogen te stellen dat in de geurverordening strengere geurnormen dienen te worden gesteld, heeft de beroepsgrond, nu niet is gebleken dat zij van mening zijn dat de geurverordening niet had mogen worden toegepast, geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning.

2.3.3. De Wet geurhinder vormt ingevolge het eerste lid van artikel 2 bij vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer wat betreft de van de dierenverblijven in de inrichting te verwachten geurhinder het exclusieve toetsingskader. Het college heeft daarom terecht de geurhinder vanwege de inrichting getoetst aan de Wet geurhinder en geen strengere geurnormen gehanteerd dan de normen die gelden op grond van de Wet geurhinder.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat voorschriften als bedoeld in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning hadden dienen te worden verbonden ter verdere beperking van de geurhinder, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten te volstaan met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant sub 2] voert aan dat het college op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer had dienen te motiveren waarom het een vergunning heeft verleend hoewel vergroting van het bouwblok waarop de inrichting is gelegen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in strijd is met de Verordening Ruimte Noord-Brabant fase 1 (hierna: de Verordening ruimte). Weliswaar was, zo stelt [appellant sub 2], verlening van de vergunning niet in strijd met regels gesteld bij of krachtens de verordening, maar dit betekent volgens [appellant sub 2] niet dat geen rekening diende te worden gehouden met hetgeen in de Verordening ruimte ten aanzien van het vergroten van bouwblokken is bepaald.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.4.2. Op 1 juni 2010 is de Verordening ruimte in werking getreden. Deze stelt onder meer regels ten aanzien van het vergroten van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden. De inrichting is in een dergelijk gebied gelegen. Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college besloten het bouwblok ter plaatse van de [locatie], waar de inrichting is gelegen, naar 3,0 hectare te vergroten.

2.4.3. Niet in geschil is dat, nu het bouwblok waarop de inrichting is gelegen reeds voor de inwerkingtreding van de Verordening ruimte is vergroot, verlening van de vergunning niet in strijd was met regels gesteld bij of krachtens de Verordening ruimte. Er was reeds daarom geen aanleiding de vergunning op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 2] voert aan dat niet vaststaat of aan de op grond van de Wet milieubeheer geldende normen voor zwevende deeltjes (PM10) kan worden voldaan. Hij voert hiertoe aan dat het college geen rekening heeft gehouden met de kenmerken van het toegepaste stalsysteem. Volgens hem had het college er rekening mee dienen te houden dat tijdens de inspectie van de vleeskuikens en het leegruimen van de stallen het olievernevelingssysteem niet in werking kan zijn ter voorkoming van schade voor de gezondheid van medewerkers van de vleeskuikenhouderij.

2.5.1. Ingevolge artikel 1 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Regeling) wordt, voor zover hier van belang, onder emissiefactor verstaan een factor die de uitstoot van een luchtverontreinigende stof per dier per jaar weergeeft.

Ingevolge artikel 66, aanhef en onder d, maakt de minister vóór 15 maart van ieder kalenderjaar een overzicht van de prognoses van de emissiefactoren van zwaveldioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen voor alle kalenderjaren volgend op het voorafgaande kalenderjaar tot en met het jaar 2020 bekend.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, maken bestuursorganen bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 66.

2.5.2. Aan het bestreden besluit liggen een luchtkwaliteitsrapport van 14 mei 2009 en een aanvullend rapport van 22 december 2009 ten gronslag. In het bestreden besluit is op basis van het aanvullende rapport vastgesteld dat aan de op grond van de Wet milieubeheer geldende normen voor zwevende deeltjes (PM10) kan worden voldaan. Blijkens het bestreden besluit is bij het opstellen van het rapport van 22 december 2009 gebruik gemaakt van de emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM10) als bedoeld in artikel 66 van de Regeling die de minister voor het toegepaste stalsysteem heeft bekend gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 67 van de Regeling is in het aanvullende rapport terecht van deze emissiefactor uitgegaan. Nu de kenmerken van het toegepaste stalsysteem geacht worden in de vastgestelde emissiefactor te zijn verdisconteerd, faalt de beroepsgrond.

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat het college de kans op een explosie vanwege het gebruik van het olievernevelingssysteem heeft onderschat. Volgens [appellant sub 2] hadden in verband met het explosiegevaar voorschriften aan de vergunning dienen te worden verbonden.

2.6.1. In de bijlagen 5 en 6 bij de aanvraag is de werking van het olievernevelingssyteem beschreven. In deze bijlagen is onder meer aandacht geschonken aan mogelijk brandgevaar in verband met toepassing van het olievernevelingssysteem. In geen van de genoemde bijlagen is melding gemaakt van explosiegevaar. Niet aannemelijk is geworden dat explosiegevaar bestaat.

De beroepsgrond faalt.

2.7. De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

190-578.