Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201005803/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bungalowparken Kamperland" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005803/1/R2.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Noord-Beveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bungalowparken Kamperland" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 juli 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2011, waar [appellante] en anderen, in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. R.J.C. Teunissen, advocaat te Boxmeer, en de raad, vertegenwoordigd door M. van der Maarl, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord Bouwbedrijf De Delta, vertegenwoordigd door D.P.H. Roos.

2. Overwegingen

2.1. De raad betoogt dat het beroep van [appellante] en anderen, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. De raad voert hiertoe aan dat [appellante] en anderen geen direct zicht zullen hebben op de in het plan voorziene zorgresidence. De raad wijst in dit verband op de in het plan voorziene groenstrook en de tussenliggende bebouwing.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.1.2. [appellante] en anderen zijn eigenaar van een aantal woningen aan de Ahornlaan. Ter zitting is vast komen te staan dat de afstand tussen deze woningen en de in het plan voorziene zorgresidence tussen de 46 en 73 meter bedraagt. Bovendien is niet afdoende gebleken van de juistheid van de stelling van de raad dat [appellante] en anderen in verband met begroeiing geen direct zicht zullen hebben op de in het plan voorziene zorgresidence. Gelet op het vorenstaande en de ruimtelijke uitstraling van de in het plan voorziene zorgresidence moet worden geconcludeerd dat de belangen van [appellante] en anderen rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken. Gelet hierop kunnen [appellante] en anderen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.2. Het beroep van [appellante] en anderen voor zover dit is ingesteld door [1 ander], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is de Afdeling niet gebleken.

Het beroep van [appellante] en anderen voor zover ingediend door [1 ander] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.3. Met het plan wordt onder meer beoogd de bouw van een zorgresidence mogelijk te maken. De zorgresidence is gesitueerd aan de meest oostelijke zijde van het woon- annex zomerhuispark Ruiterplaat (hierna: het park Ruiterplaat).

2.4. [appellante] en anderen betogen dat de behoefte aan de zorgresidence niet is aangetoond. Zij stellen zich op het standpunt dat er geen deugdelijk onderzoek is verricht en dat uit de in 2002 gehouden enquête niet kan worden afgeleid dat er behoefte bestaat aan een zorgresidence.

Voorts stellen [appellante] en anderen zich op het standpunt dat het plan in strijd is met het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 (hierna: het omgevingsplan). In dit kader wijzen zij erop dat op grond van het omgevingsplan de bebouwing ter plaatse slechts mag worden uitgebreid als de bestaande bebouwing onvoldoende ruimte biedt. Bovendien dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden en dient de te realiseren uitbreiding in het beeldbepalende karakter van de omliggende bebouwing te passen. Voorts dient volgens [appellante] en anderen sprake te zijn van een win-win-situatie en dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de ruimte voor ruimte regeling. Volgens [appellante] en anderen is hiervan in het onderhavige geval geen sprake. Evenmin levert de bouw van de zorgresidence een stedenbouwkundige en landschappelijke meerwaarde op.

[appellante] en anderen voeren verder aan dat het plan in strijd is met de Thematische regiovisie De Bevelanden (hierna: de regiovisie) en de Gebiedsvisie Rondom het Veerse Meer (hierna: de gebiedsvisie).

Voorts stellen zij zich op het standpunt dat de bouw van de zorgresidence een beperking van hun uitzicht met zich brengt.

Tevens betogen [appellante] en anderen dat artikel 8.1.1. van de planregels en in het bijzonder het begrip "zorgbehoevenden" dermate vaag zijn, dat onvoldoende wordt gewaarborgd dat de voorziene woningen door zorgbehoevenden zullen worden gebruikt. Volgens [appellante] en anderen is voor het begrip "zorgbehoevenden" ten onrechte geen aansluiting gezocht bij de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) of de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

[appellante] en anderen wijzen er voorts op dat het begrip "ouderen" leidt tot leeftijdsdiscriminatie, nu uitsluitend personen ouder dan 60 jaar in de woningen mogen wonen. Daarnaast stellen zij dat een dergelijke bepaling niet handhaafbaar is.

2.4.1. Volgens de raad is er behoefte aan de zorgresidence. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan voorziene zorgresidence goed in de omgeving past. Van strijdigheid met het streekplan en het regionale beleid is geen sprake, aldus de raad.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat [appellante] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de voorziene zorgresidence. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat het aantal senioren in de gemeente Noord-Beveland hoog is en nog steeds toeneemt en dat er vraag is naar woningen in het duurdere segment. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat de vraag naar woningen in het park Ruiterplaat voornamelijk bestaat uit personen ouder dan 55 jaar en een specifieke woon-zorgvoorziening tot dusverre ontbreekt.

2.4.3. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200902832/1 is met de inwerkingtreding van de Wro het streekplan, behoudens indien sprake is van een concrete beleidsbeslissing, niet rechtstreeks bindend meer voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. De Afdeling stelt vast dat het streekplan, voor zover hier van belang, geen concrete beleidsbeslissingen bevat. De raad is derhalve niet zonder meer gehouden het beleid van de provincie te volgen. Wel dient de raad het provinciale beleid op dit punt in de afweging mee te wegen als een bij het plan betrokken belang.

2.4.4. Het omgevingsplan vermeldt dat bij de ontwikkeling van nieuwe en, indien mogelijk, planmatige uitbreiding van bestaande woonparken sprake dient te zijn van een win-win situatie. Volgens de uitgangspunten van de ruimte voor ruimte regeling moet ter plaatse (of elders) een (fysiek) probleem worden opgelost, dan wel ondersteuning worden geboden aan de gewenste ontwikkelingen.

Individuele uitbreiding van een bestaand woonpark is mogelijk, mits dit stedenbouwkundige en landschappelijke meerwaarde oplevert.

2.4.5. De regiovisie vermeldt dat (woningbouw)ontwikkelingen dienen te leiden tot een grotere ruimtelijk-functionele samenhang, zodat deze aan kwaliteit wint, en deze ontwikkelingen tevens dienen te leiden tot een sterke eigen identiteit ten opzichte van andere zones.

2.4.6. Voorts vermeldt de gebiedsvisie dat uitbreiding van woonparken mogelijk is als hierdoor sprake is van kwaliteitsverbetering.

2.4.7. In de plantoelichting is vermeld dat de ontwikkeling van de zorgresidence deel uitmaakt van het project "Centralisatie gemeentewerken" van de gemeente Noord-Beveland. In het kader van dit project worden negen verspreid gelegen werkplaatsen en opslagterreinen verkocht, en wordt één centrale gemeentewerkplaats gerealiseerd. De zorgresidence is voorzien ter plaatse van de voormalige werkplaats aan de Schotsmanweg. De plantoelichting vermeldt dat het project ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert wat betreft gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de negen locaties. Volgens de plantoelichting draagt de voorziene zorgresidence ter plaatse van de voormalige werkplaats aan de Schotsmanweg in belangrijke mate bij aan een sluitende projectaanpak.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan bijdraagt aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en derhalve stedenbouwkundige en landschappelijke meerwaarde oplevert. [appellante] en anderen hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de raad het provinciale beleid onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich tevens terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met de gebiedsvisie. Evenzeer heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met de regiovisie. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de regiovisie geen betrekking heeft op zodanig kleine ontwikkelingen zoals de bouw van de in het plan voorziene zorgresidence.

2.4.8. Op de verbeelding zijn, ter plaatse van de zorgresidence, drie bouwvlakken opgenomen.

Ingevolge artikel 8.2.1., aanhef en onder a, van de planregels mogen de hoofdgebouwen uitsluitend worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder c, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding bedraagt voor het bouwen van hoofdgebouwen de goot- en bouwhoogte maximaal 7,5 meter.

Ingevolge artikel 8.2.2., aanhef en onder a, van de planregels mogen bijgebouwen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van de bouwaanduiding "bijgebouwen".

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder b, van de planregels mogen ter plaatse van de bouwaanduiding "bijgebouwen" bijgebouwen worden opgericht met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m2.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder c, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding bedraagt ter plaatse van de bouwaanduiding "bijgebouwen" de goot- en bouwhoogte van een bijgebouw maximaal 3 meter.

Gezien de bebouwingsmogelijkheden waarin het plan voorziet, kan worden aangenomen dat het uitzicht van [appellante] en anderen zal worden beperkt. Gelet op de afstand van ten minste 46 meter tussen de woningen van [appellante] en de zorgresidence en gezien de bebouwingsmogelijkheden waarin het plan voorziet is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van de zorgresidence niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellante] en anderen.

2.4.9. Aan de gronden ter plaatse van de in het plan voorziene zorgresidence is de bestemming "Wonen-2" toegekend.

Ingevolge artikel 8.1.1., aanhef en onder a, van de planregels voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen-2" aangewezen gronden bestemd voor de huisvesting van ouderen en zorgbehoevenden.

Ingevolge artikel 1.32. dient onder ouderen te worden verstaan personen ouder dan 60 jaar.

Ingevolge artikel 1.50. dient onder zorgbehoevenden te worden verstaan personen die blijkens een zorgindicatie zorg behoeven.

Het plan voorziet, voor zover thans van belang, in de bouw van drie appartementengebouwen met in totaal twaalf woningen. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad met de zorgresidence beoogt te voorzien in een locatie waar senioren en zorgbehoevenden, met ondersteuning van zorg- en welzijnsdiensten, zelfstandig kunnen blijven wonen.

De Afdeling overweegt dat [appellante] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het begrip "zorgbehoevenden" in artikel 1.50 van de planregels onvoldoende duidelijk is gedefinieerd. De Afdeling betrekt daarbij dat de betekenis van het begrip "zorgindicatie" in het dagelijks taalgebruik voldoende duidelijk is en er ook anderszins geen verplichting bestaat om in de begripsbepaling expliciet aan te sluiten bij de AWBZ of de Wmo.

De beperking in het plan, inhoudende dat ingevolge artikel 8.1.1., aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 1.32., van de planregels de gronden ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen-2" bestemd zijn voor de huisvesting van personen ouder dan 60 jaar, acht de Afdeling niet mogelijk, nu dit leidt tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid naar leeftijd.

2.4.10. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, voor zover het betreft de zinsnede "ouderen en" in artikel 8.1.1., onder a, van de planregels. Het beroep is in zoverre gegrond. Voormelde zinsnede dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op die onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [1 ander];

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Noord-Beveland van 25 maart 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bungalowparken Kamperland" voor zover het betreft de zinsnede "ouderen en" in artikel 8.1.1., onder a, van de planregels.

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Noord-Beveland tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Noord-Beveland aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

425-694.