Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201007552/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2009, voor zover thans van belang, heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast om de bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) voor 1 mei 2010 te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4951
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007552/1/H1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) van 21 juni 2010 in zaak nr. 10/395 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2009, voor zover thans van belang, heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast om de bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) voor 1 mei 2010 te staken.

Bij besluit van 23 november 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2010, verzonden op 23 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.G.M. de Ruijter, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [Exploitatie B.V.] is voormalig exploitant van de horeca-inrichting op het perceel [locatie]. Zij verhuurt de woning aan [appellant], haar voormalig bestuurder/grootaandeelhouder en tevens voormalig eigenaar van de woning. Thans wordt de inrichting geƫxploiteerd door [belanghebbende]. [Exploitatie B.V.] en [belanghebbende] hebben het college verzocht handhavend tegen de bewoning van de woning door [appellant] op te treden.

2.2. Het gebruik van de woning als burgerwoning is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening Bosch en Duin", omdat op het perceel [locatie] de bestemming "Horecadoeleinden" rust en de woning ingevolge de bij die bestemming behorende planvoorschriften slechts ten dienste van de exploitatie van de inrichting mag worden gebruikt. Het college kon daartegen derhalve handhavend optreden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om daartegen handhavend op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan in verband daarmee in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van [belanghebbende] bij naleving van de bij de bestemming "Horecadoeleinden" behorende planvoorschriften dan aan zijn belang om daar te mogen blijven wonen, heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan om die reden had behoren af te zien. Hiertoe voert hij aan dat [belanghebbende] geen belang bij handhaving heeft, terwijl een gedwongen verhuizing voor hemzelf ingrijpende emotionele en sociale gevolgen zal hebben. Zijn gehele leven heeft zich in de woning afgespeeld, hij heeft nog nooit ergens anders gewoond en hij is voornemens tot aan zijn dood in de woning te blijven wonen, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan in verband daarmee had behoren af te zien. Het college is terecht uitgegaan van de bestaande situatie dat [belanghebbende] de inrichting exploiteert en [appellant] de woning niet ten dienste van de exploitatie gebruikt. Dat [appellant], naar hij stelt, een eerste optie tot koop van de woning heeft bedongen en hem ingevolge de met [Exploitatie B.V.] gesloten overeenkomst tot koop en verkoop van de woning een toezichthoudende functie bij de inrichting dient te worden aangeboden, maakt, wat hier verder van zij, het voorgaande niet anders. Het college regardeert deze overeenkomst niet. Voorts zijn de overige door [appellant] gestelde omstandigheden niet zo bijzonder, dat geoordeeld moet worden dat het college in verband daarmee in redelijkheid niet tot handhavend optreden heeft kunnen besluiten.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat het college in rechtens vergelijkbare gevallen niet handhavend pleegt op te treden en dat het verschil in handelwijze niet wordt gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid dat in de door hem vermelde gevallen niet om handhaving is verzocht.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. Daargelaten of het feit dat om handhavend optreden is verzocht van belang is voor het oordeel over de vraag of handhavend mag worden opgetreden, heeft de rechtbank niet ten onrechte geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college in vergelijkbare gevallen niet handhavend pleegt op te treden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het onweersproken heeft gesteld dat de gemeente de woningen op de percelen [locaties 1, 2 en 3], waar [appellant] naar verwijst, in verband met de beoogde planologische ontwikkeling van het buitengebied heeft gekocht en in afwachting daarvan heeft verhuurd. Volgens het college is zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan in die gevallen, anders dan in dit geval, objectief gezien niet meer mogelijk. Verder heeft het evenzeer onweersproken gesteld dat de woningen op de percelen [locaties 4 en 5] in overeenstemming met het daar ter plaatse geldende bestemmingsplan als bedrijfswoning worden gebruikt en dat de woningen op de percelen [locaties 6, 7 en 8] ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan als burgerwoning mogen worden gebruikt. Ten aanzien van de woning op het perceel [locatie 9] heeft het gesteld dat een persoonlijke gedoogverklaring zal worden afgegeven. Volgens het college is de situatie op dit perceel zo bijzonder, dat zich geen precedentwerking zal voordoen. [appellant] kan zich daarom niet op basis van het gelijkheidsbeginsel eenzelfde positie verschaffen, aldus het college. Hierbij heeft het onder meer in aanmerking genomen dat het gebruik van de woning op het perceel [locatie 9] als burgerwoning, anders dan in het onderhavige geval, geen belemmering oplevert voor de bedrijfsvoering van een derde. Ter zitting heeft het nog onweersproken gesteld dat de negen woningen op de percelen, vermeld in de brief van [appellant] van 20 januari 2011, volgens gegevens van het Kadaster en de Kamer van Koophandel eigendom zijn van de ter plaatse gevestigde ondernemingen. Volgens het college zal in die gevallen onderzoek worden gedaan naar de feitelijke bewoning en zal, indien de resultaten van dit onderzoek daartoe aanleiding geven, handhavend worden opgetreden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

357-593.