Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1900

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201008701/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2010 heeft het CBR vastgesteld dat [appellante] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en haar rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008701/1/H3.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juli 2010 in zaak nr. 10 - 1954 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2010 heeft het CBR vastgesteld dat [appellante] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en haar rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 9 april 2010 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, eerste volzin, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangegeven waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, wordt, indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft.

Ingevolge het negende lid worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde, vierde en zevende lid.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen, of

b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Ingevolge paragraaf 8.2.1 van de bijlage maken psychotische episoden de betrokkene ongeschikt voor elk rijbewijs. Als er sprake is van een geslaagde behandeling (twee jaar recidiefvrij, een zekere mate van ziekte-inzicht) en de defecttoestand hooguit licht van aard is, hoeft er geen reden te zijn om de keurling zonder meer ongeschikt te verklaren voor het rijbewijs. Wel is dan steeds een specialistisch rapport vereist. Bij een gunstig rapport bedraagt de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar; deze personen zullen alleen geschikt zijn voor rijbewijzen van groep 1. Personen die voor de behandeling van hun aandoening een hoge dosering neuroleptica nodig hebben, zijn ongeschikt voor het rijbewijs.

2.2. Op 21 mei 2009 heeft de Regiopolitie Kennemerland aan het CBR een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 gedaan. Naar aanleiding van die mededeling heeft het CBR [appellante] bij besluit van 13 juli 2009 verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst. Op 22 augustus 2009 is het onderzoek uitgevoerd door psychiater M. Hanoeman. Dit onderzoek bestond onder meer uit een anamnese en een psychiatrisch onderzoek. Op verzoek van [appellante] heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden. Dit tweede onderzoek is op 25 november 2009 verricht door psychiater N. van Loenen en bestond uit onder meer uit anamneses, lichamelijk onderzoek en psychiatrisch onderzoek. In het verslag van bevindingen van het eerste onderzoek is als conclusie vermeld dat er een psychotisch toestandsbeeld is in het kader van schizofrenie van het paranoïde type en dat zich volgens informatie bij [appellante] zorgmijdend gedrag voordoet met mogelijk incompliance ten aanzien van het medicijn Risperdal. In het verslag van bevindingen van het tweede onderzoek is de diagnose schizofrenie van het paranoïde type gesteld. Daarbij is vermeld dat er na het eerste onderzoek een redelijk evenwicht lijkt te zijn.

Op basis van de verslagen van bevindingen en onder verwijzing naar paragraaf 8.2 van de bijlage bij de Regeling heeft het CBR vastgesteld dat [appellante] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en haar rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verslag van bevindingen van het tweede onderzoek onvoldoende is om het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs te dragen, nu het tweede onderzoek is gebaseerd op het eerste onderzoek en bij het tweede onderzoek niet zelfstandig is geoordeeld over het bestaan van ziektebeelden.

2.4. Dat Van Loenen bij het tweede onderzoek kennis had van de bevindingen van het eerste onderzoek, maakt niet dat het verslag van bevindingen van het tweede onderzoek reeds daarom niet aan de besluiten ten grondslag had mogen worden gelegd. Het verslag van het tweede onderzoek bevat verscheidene bevindingen die niet zijn vermeld in het verslag van het eerste onderzoek. Zo is in het verslag van het tweede onderzoek vermeld dat de eerste contacten met de psychiatrie dateren uit 1997, dat [appellante] toen een TIA zou hebben gehad, dat er lichte tekenen van depersonalisatie zijn en dat er op het moment van onderzoek geen hallucinaties zijn. Verder zijn de bevindingen in het verslag van het tweede onderzoek niet op alle onderdelen geheel gelijk aan de bevindingen van het eerste onderzoek. Zo wordt in het verslag van het tweede onderzoek gesproken van een licht dysfore stemming, min of meer adequaat affect en bovengemiddelde intelligentie, terwijl het verslag van het eerste onderzoek melding maakt van een normofore stemming, adequaat modulerend affect en gemiddelde intelligentie. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het verslag van bevindingen van het tweede onderzoek gezien het voorgaande blijk van voldoende eigen onderzoek door Van Loenen.

Voorts zijn de besluiten, anders dan [appellante] lijkt te veronderstellen, niet slechts gebaseerd op het verslag van bevindingen van het tweede onderzoek, maar tevens op het verslag van bevindingen van het eerste onderzoek. In dit verband heeft het CBR er terecht op gewezen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2005 in zaak nr. 200409501/1), de omstandigheid dat een tweede onderzoek heeft plaatsgevonden niet betekent dat daarmee de resultaten van het eerste onderzoek zijn komen te vervallen. Dit zou anders zijn indien uit het onderzoek van Van Loenen volgt dat het eerste onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd of dat Hanoeman op grond van de resultaten van het verrichte onderzoek niet tot de door hem getrokken conclusies heeft kunnen komen. Aangezien Van Loenen in het verslag de door Hanoeman gestelde diagnose schizofrenie van het paranoïde type heeft vermeld en van die diagnose geen afstand heeft genomen, doen dergelijke omstandigheden zich in dit geval niet voor. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat het CBR beide verslagen van bevindingen aan de besluiten ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet op de in de verslagen vermelde diagnose heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat het CBR zich op het standpunt heeft mogen stellen dat zich een situatie als bedoeld in paragraaf 8.2.1 van de bijlage bij de Regeling voordoet en dat het CBR terecht het rijbewijs van [appellante] ongeldig heeft verklaard.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

280-640.