Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201009057/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009057/1/H3.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Drimmelen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 juli 2010 in zaak nr. 10/281 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op 4 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Jonkers, J.C. Lankhaar en K. van de Breevaart, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beƫdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder ede of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, derde lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d en e, geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college het verzoek van [appellant] om zijn geslachtsnaam in de gba te wijzigen van [appellant] in [appellant a] afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de door [appellant] overgelegde doopakte en de documenten betreffende zijn familieleden geen brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba, zodat het college niet gerechtigd is de gegevens opgenomen in de gba te wijzigen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door hem overgelegde doopakte een brondocument is als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet gba, nu de doopakte volgens hem kan worden aangemerkt als een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt. Weliswaar staat op de handgeschreven doopakte de naam [appellant a] zonder puntjes vermeld, maar dit betekent niet dat de naam als [appellant] is geschreven, aldus [appellant]. Verder voert [appellant] aan dat hij in plaats van een geboorteakte slechts een doopakte kan overleggen, omdat hij in het voormalig Nederlands-Indiƫ is geboren. [appellant] betoogt voorts dat de door hem overgelegde documenten betreffende zijn familieleden duidelijk aantonen dat bij de inschrijving van zijn naam in de gba een kennelijke verschrijving heeft plaatsgevonden, die mede aan de hand van de doopakte kan worden hersteld.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2007 in zaak nr. 200704309/1; www.raadvanstate.nl) is de doelstelling van de Wet gba dat gegevens in de basisadministratie zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend is in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba een rangorde bepaald in de geschriften, waaraan die gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens slechts worden ontleend, indien op het moment van inschrijving in redelijkheid geen beter document kan worden overgelegd.

Het college mag ingevolge artikel 82, tweede lid, van de Wet gba de registratie van een gegeven in de gemeentelijke basisadministratie slechts wijzigen op grond van een brondocument, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van die wet.

2.3.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 36, tweede lid, en artikel 37, derde lid, van de Wet gba, niet tot de gevraagde wijziging kan overgaan. De Afdeling is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat in redelijkheid geen beter document kan worden overgelegd dan de door [appellant] overgelegde doopakte. Voor zover [appellant] betoogt dat hij niet in staat is om een geboorteakte over te leggen, overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven welke procedure moet worden gevolgd om een geboorteakte uit Surabaja te verkrijgen. Op het moment dat [appellant] over voornoemde geboorteakte beschikt, hetgeen als een brondocument in de zin van artikel 36, tweede lid, van de Wet gba kan worden aangemerkt, en daaruit blijkt dat zijn geslachtsnaam als [appellant a] moet worden gespeld, kan het college overgaan tot de door [appellant] gewenste wijziging. Daarnaast wordt overwogen dat uit de handgeschreven doopakte, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet onomstotelijk kan worden afgeleid dat de naam [appellant] als [appellant a] moet worden geschreven, nu de naam [appellant] daarop zonder puntjes staat vermeld. Daarom kan deze doopakte niet worden aangemerkt als een brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet gba, omdat het betreffende feit daarin niet is vermeld. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat, voor zover [appellant] betoogt dat de schrijfwijze in de doopakte onjuist zou zijn, artikel 37, derde lid, van de Wet gba zich in een dergelijke situatie verzet tegen het ontlenen van gegevens aan dit document. Ten aanzien van de overgelegde documenten betreffende de familieleden van [appellant] overweegt de Afdeling dat deze documenten niet als brondocument in de zin van artikel 36, tweede lid, van de Wet gba kunnen worden aangemerkt, nu deze documenten niet de persoon van [appellant] betreffen. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

280-697.