Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201009199/1/H1 en 201009200/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 22 januari 2009 heeft het college Javis met betrekking tot het gebouw [locaties sub 1] en de VvE met betrekking tot het gebouw [locaties sub 2] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de maatregelen te treffen die in de bij die besluiten gevoegde "gebreken en voorzieningen lijst" zijn genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2011/126 met annotatie van B. Rademaker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009199/1/H1 en 201009200/1/H1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 augustus 2010 in zaken nrs. 09/6489 en 09/7368 in de gedingen tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Javis B.V.

2. de VvE

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 22 januari 2009 heeft het college Javis met betrekking tot het gebouw [locaties sub 1] en de VvE met betrekking tot het gebouw [locaties sub 2] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de maatregelen te treffen die in de bij die besluiten gevoegde "gebreken en voorzieningen lijst" zijn genoemd.

Bij besluiten van 30 juli 2009 heeft het college de door Javis en de VvE daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 11 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door Javis en de VvE daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 30 juli 2009 vernietigd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft het college bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 18 oktober 2010.

Javis en de VvE hebben elk een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 21 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door R. Vingerling, werkzaam bij de gemeente, en Javis, vertegenwoordigd door J.J. van Leeuwen, bijgestaan door mr. B.A. Boer, advocaat te Den Haag, en de VvE, vertegenwoordigd door mr. B.A. Boer, voornoemd, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft de beide hoger beroepen vanwege de onderlinge samenhang, waarbij de beroepsgronden voorts gelijkluidend zijn, gevoegd.

2.2. Ingevolge artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit een oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen.

Ingevolge artikel 3, onder a, kan bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur worden verwezen naar normen of delen van normen.

Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft een bestaand bouwwerk een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten.

Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet overschreden bij de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 6702.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.6 bepaald volgens:

a. NEN 6710 of NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen,

b. NEN 6720 of NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen,

c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voldoende onderzoek is verricht. Daartoe voert hij aan dat de stadsdeelinspecteur, die de gebrekkige staat van onderhoud van de gebouwen heeft geconstateerd, een deskundige is die de gebruikelijke werkwijze heeft gevolgd.

2.3.1. Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de staat van de gebouwen daadwerkelijk in strijd komt met de artikelen 2.5, 2.6 en 2.7 van het Bouwbesluit, meer in het bijzonder met de daarin genoemde NEN-normen, bestaat geen grond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat noch in het besluit op bezwaar, noch in het besluit in primo, is toegelicht waarom de aangetroffen staat van onderhoud niet aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen, waarbij wordt verwezen naar de NEN-normen, voldoet. De stelling van het college dat de stadsdeelinspecteur een deskundige is die de gebruikelijke werkwijze heeft gevolgd, wat daarvan zij, maakt dit niet anders. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en dat het besluit op bezwaar een deugdelijke motivering ontbeert. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat daarin, zoals het college ter zitting heeft erkend, door het college ten onrechte niet is gespecificeerd welke gebreken zich in welke panden voordoen, hetgeen wel van hem mocht worden verwacht.

Het betoog faalt.

2.4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.5. het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Javis B.V. en de vereniging "VvE in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van elk € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een griffierecht van € 896,00 (zegge: achthonderdzesennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

392.