Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1875

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201008578/1/H1 en 201008827/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2008 heeft het college aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van 18 woningen met ondergrondse parkeergarage aan de Palmstraat te Nijmegen.

Wetsverwijzingen
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.1
Crisis- en herstelwet 1.5
Crisis- en herstelwet 2.9
Crisis- en herstelwet 2.10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4953
JOM 2011/674
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008578/1/H1 en 201008827/1/H1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 juli 2010 in zaak nr. 08/3979 in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college,

en op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 juli 2010 in zaak nr. 09/1460 in het geding tussen onder meer:

1. [wederpartij sub 1]

2. [wederpartij sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2008 heeft het college aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van 18 woningen met ondergrondse parkeergarage aan de Palmstraat te Nijmegen.

Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het college het onder meer door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase herroepen en de bouwaanvraag opnieuw in behandeling genomen.

Bij besluit van 12 december 2008 heeft het college opnieuw vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van 18 woningen aan de Palmstraat te Nijmegen.

Bij uitspraak van 29 juli 2010 (zaak nr. 08/3979), verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 21 juli 2008 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 september 2010.

[appellante] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 29 juli 2010 (zaak nr. 09/1460), verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] tegen de besluiten van 21 juli 2008 en 12 december 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het college opnieuw op het door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] ingediende bezwaarschrift beslist, dat bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 maart 2008 in stand gelaten.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 1 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, werkzaam bij de gemeente, en [appellante], vertegenwoordigd door mr. drs. H. Nijman, advocaat te Nijmegen, en [directeur], en bijgestaan door C.B.F.M. Berenbroek, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [wederpartij sub 1], vertegenwoordigd door mr. R. Koopman, advocaat te Den Haag, en [wederpartij sub 2].

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Nijmegen Oud West" op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)". Het college heeft teneinde bouwvergunning eerste fase te kunnen verlenen vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Het hoger beroep van het college tegen de uitspraak in zaak nr. 08/3979 2.2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 juli 2010 in zaak nr. 08/3979 overwogen dat het college bij het besluit op bezwaar van 21 juli 2008 in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft volstaan met het herroepen van de vrijstelling en bouwvergunning eerste fase zonder een nieuw vervangend besluit te nemen. Voorts heeft zij overwogen dat het besluit van 12 december 2008 tezamen met het besluit van 21 juli 2008 moet worden beschouwd als het in heroverweging gegeven volledige besluit op bezwaar en heeft zij geoordeeld dat met het nemen van het besluit van 12 december 2008 het procesbelang van [appellante] is komen te vervallen, nu daarbij vrijstelling en bouwvergunning eerste fase is verleend en daarmee aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in strijd heeft gehandeld met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb door bij het besluit van 21 juli 2008 te volstaan met het herroepen van de verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase en geen vervangend besluit te nemen. De rechtbank heeft volgens het college, gelet hierop, voorts ten onrechte overwogen dat de besluiten van 21 juli 2008 en 12 december 2008 aangemerkt dienen te worden als samenstellende onderdelen van het besluit op het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2008.

2.3.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid, herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200903622/1/H1) vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure voort dat, indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift, maar voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet stellen. In de situatie dat het nemen van een vervangend besluit nog niet mogelijk is, omdat alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen, waarmee een geruime termijn kan zijn gemoeid, moet daarover anders worden geoordeeld.

Dat bij het besluit van 21 maart 2008 ten onrechte van het op dat moment niet meer geldende bestemmingsplan "Nijmegen West II" vrijstelling was verleend en dat het bouwplan ook in strijd was met het ten tijde van dit besluit geldende bestemmingsplan "Nijmegen Oud West", brengt, anders dan het college betoogt, niet met zich dat het college opnieuw een vrijstellingsprocedure diende te volgen, nu ingevolge beide bestemmingsplannen een vergelijkbare bedrijfsbestemming op het perceel rust. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb heeft gehandeld door bij het besluit van 21 juli 2008 te volstaan met het herroepen van de verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase en geen vervangend besluit te nemen. De rechtbank heeft voorts de besluiten van 21 juli 2008 en 12 december 2008 terecht aangemerkt als samenstellende onderdelen van het volledige besluit op het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2008.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De door hem aangevallen uitspraak in zaak nr. 08/3979 dient te worden bevestigd.

Het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak in zaak nr. 09/1460

2.5. Vast staat dat het college de bezwaren tegen het besluit van 21 maart 2008 niet inhoudelijk aan de orde heeft gesteld in een hoorzitting. Hiermee heeft het college in strijd gehandeld met artikel 7:2 van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 januari 2008 in zaak nr. 200704654/1), kan in geval van een schending van de hoorplicht, de vernietiging van het besluit niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb achterwege worden gelaten.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot vernietiging van het besluit op bezwaar wegens schending van de hoorplicht. Daartoe voert zij aan dat artikel 1.5 van de Crisis- en Herstelwet (hierna: Chw), in samenhang gelezen met bijlage 1 van de Chw en artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, het mogelijk maakt om het gebrek te passeren, nu dat volgens haar ook ziet op vrijstellingen met toepassing van de WRO en niet is gebleken dat belanghebbenden door deze schending zijn benadeeld.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Chw kan een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Ingevolge het tweede lid, blijft artikel 6:22 van de Awb buiten toepassing.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, is afdeling 2 van de Chw, waarin artikel 1.5 van de Chw is opgenomen, van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge het bepaalde onder c is afdeling 2 van de Chw van toepassing op projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.

In bijlage 1 van de Chw is als categorie 3.1 opgenomen ‘ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wro, ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden’ en is als categorie 3.2 opgenomen: ‘projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid’.

Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, is afdeling 6 van hoofdstuk 2, in het bijzonder de bevoegdheid om een projectuitvoeringsbesluit te nemen als bedoeld in art. 2.10 van de Chw, van toepassing op de uitvoering van:

a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste:

1. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2 000 nieuwe woningen;

2. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede;

b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis.

2.6.2. Weliswaar wordt in categorie 3.2 van bijlage 1 van de Chw volstaan met een verwijzing naar projecten als bedoeld in artikel 2.9 van de Chw, maar een redelijke uitleg van de beoogde strekking van deze categorie brengt met zich dat deze categorie zich beperkt tot projecten waarvoor een projectuitvoeringsbesluit is genomen, nu artikel 2.9 van de Chw de bevoegdheid om een projectuitvoeringsbesluit te nemen als bedoeld in art. 2.10 van de Chw betreft. Een andere uitleg zou categorie 3.1 betekenisloos maken, terwijl uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 5) kan worden afgeleid dat categorie 3.2 alleen de strekking heeft om afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op projectuitvoeringsbesluiten van toepassing te laten zijn. In genoemde Nota van wijziging is vermeld dat de mogelijkheid van toepassing van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Chw een andere is dan de in artikel 1.2 van de voorgestelde Chw opgenomen mogelijkheid om projecten toe te voegen aan de bijlagen I en II bij die wet, nu die bijlagen betrekking hebben op de toepasbaarheid van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Chw en de in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, opgenomen mogelijkheid betrekking heeft op de toepasbaarheid van hoofdstuk 2, afdeling 6, van de voorgestelde Chw.

Het besluit van 21 maart 2008 is geen projectuitvoeringsbesluit, zodat uit artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw in samenhang gelezen met categorie 3.2 van bijlage 1 van de Chw, anders dan [appellante] betoogt, niet volgt dat de Chw daarop van toepassing is. Categorie 3.1 is evenmin van toepassing, reeds nu het bouwplan een project van minder dan 20 woningen betreft. Daargelaten of belanghebbenden door de schending van de hoorplicht door het college zijn benadeeld, volgt reeds uit het voorgaande dat deze schending niet met toepassing van artikel 1.5 van de Chw kan worden gepasseerd.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep van [appellante] is ongegrond. De door haar aangevallen uitspraak in zaak nr. 09/1460 dient te worden bevestigd.

Het besluit van 11 februari 2011

2.8. Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 29 juli 2010 in zaak nr. 09/1460 opnieuw besloten op het door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2008 en het besluit van 21 maart 2008 gehandhaafd. Het besluit van 11 februari 2011 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht voorwerp te zijn van dit geding.

Er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor om hiervan af te wijken. Anders dan [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het in strijd met de goede procesorde is om het besluit van 11 februari 2011 in deze procedure te beoordelen, gelet op de korte termijn die zij hebben gehad om op dit besluit te reageren. Het besluit van 11 februari 2011 betreft geen nieuwe onderwerpen ten opzichte van het besluit van 12 december 2008 en levert dan ook geen nieuwe geschilpunten tussen partijen op. Zowel [wederpartij sub 1] als [wederpartij sub 2] heeft voorts tijdig een reactie op het besluit van 11 februari 2011 ingediend, waarin op de bestaande geschilpunten is ingegaan. Voor een nieuwe termijn voor een nadere reactie, zoals [wederpartij sub 2] heeft verzocht, bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding. Hetgeen [wederpartij sub 2] nog nader wil toelichten heeft geen betrekking op nieuwe geschilpunten.

2.9. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

2.10. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft bij besluit van 15 november 2005 een lijst van categorieën van gevallen vastgesteld waarin het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen (hierna: de provinciale vrijstellingenlijst). Als categorieën van gevallen zijn in de provinciale vrijstellingenlijst onder meer aangewezen:

"Projecten in stedelijk gebied

1. Wonen

(Bouw)projecten voor woonfuncties, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein. (..)"

Het begrip "Bedrijventerrein" is in de provinciale vrijstellingenlijst gedefinieerd als: "een terrein dat vanwege zijn bestemming geschikt is voor gebruik voor handel, nijverheid, commerciële dienstverlening en industrie. Onder deze omschrijving vallen ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk bestemd zijn en geschikt zijn voor kantoren. Er is geen sprake van een bedrijventerrein bij een incidentele bedrijfsbestemming ten behoeve van de vestiging van één bedrijf".

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan onder categorie 1 van de provinciale vrijstellingenlijst kan worden begrepen.

2.11. [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen dat het college niet bevoegd was vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, omdat het bouwplan is gesitueerd op een bedrijventerrein dat als zodanig is aangewezen in de toelichting van het bestemmingsplan "Nijmegen Oud West".

2.11.1. Dit betoog faalt. Op het perceel is slechts één bedrijf gevestigd, te weten [appellante]. Van omliggende bedrijven is geen sprake. Met de realisering van het bouwplan wordt alle bedrijfsbebouwing van [appellante] vervangen door de voorziene woningen en komt de bedrijfsbestemming van het perceel te vervallen. Het bouwplan voorziet derhalve niet in woningen gesitueerd op een bedrijventerrein zoals bedoeld in de provinciale vrijstellingenlijst. Het college was dan ook bevoegd zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.12. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan is een bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.13. [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Volgens hen is het college niet van de juiste hoogte van het bouwplan uitgegaan waardoor het de gevolgen van de realisering van het bouwplan voor hun privacy, de zon- en lichtinval in hun tuin en woning en hun uitzicht niet juist heeft ingeschat en heeft het voorts de door hen te ondervinden geluids- en verkeersoverlast als gevolg van de voorziene parkeergarage niet juist ingeschat. Het college heeft aan deze gevolgen derhalve onvoldoende gewicht toegekend in de door hem te maken belangenafweging, aldus [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2]. Ook heeft het college volgens hen onvoldoende gewicht toegekend aan de gevolgen van de realisering van het bouwplan voor het vleermuizenverblijf in de bestaande bebouwing en heeft het ten onrechte niet onderzocht of het bouwplan in overeenstemming is met de daarop toepasselijke wet- en regelgeving. [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] stellen zich voorts op het standpunt dat de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan in twijfel moet worden getrokken, hetgeen aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat.

2.13.1. [appellante] heeft ter verduidelijking van de gevolgen van de realisering van het bouwplan voor de omgeving een aantal tekeningen bij het college ingediend, waarnaar in de aan het besluit van 11 februari 2011 ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing van november 2010 is verwezen. Het is niet gebleken dat het college door deze tekeningen, die geen aanpassing van het bouwplan, maar slechts een verduidelijking daarvan betreffen, aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen in strijd met enig rechtsbeginsel heeft gehandeld, zoals [wederpartij sub 2] betoogt. Ter zitting is komen vast te staan dat de op die tekeningen weergegeven verhoudingen van de woning en tuin van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] tot de bestaande bebouwing op het perceel, tot de mogelijkheden die het bestemmingsplan voor het perceel biedt en tot de situatie na realisering van het bouwplan juist zijn en vergelijkbaar zijn met de verhoudingen waar in de opdracht van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] opgestelde rapportage "Beschaduwing tuin [locatie] te Nijmegen" van bouwkundig adviesbureau Jans Knigge van 16 februari 2011 van uit is gegaan. Het is, gelet hierop, dan ook niet gebleken dat het college niet van de juiste hoogte van het bouwplan zou zijn uitgegaan, zoals [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen, en om die reden de gevolgen van het bouwplan voor de privacy, de zon- en lichtinval en het uitzicht van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2], niet juist zou hebben ingeschat. Daarbij komt dat deze gevolgen niet zozeer door de hoogte van het bouwplan worden veroorzaakt, maar door de verlenging van de bebouwing met 5,5 meter ten opzichte van de bestaande bebouwing.

De gevolgen voor de privacy, de zon- en lichtinval en het uitzicht van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] zijn voorts, gelet op de bestaande bebouwing op het perceel, de ruime bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en de stedelijke omgeving waarin het perceel zich bevindt, niet zodanig dat geoordeeld moet worden dat het college de belangen van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] in de zin van aantasting van hun privacy en uitzicht en vermindering van de zon- en lichtinval in hun tuin en woning, had dienen te laten prevaleren. De door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] overgelegde rapportages "Beschaduwing tuin [locatie] te Nijmegen" van bouwkundig adviesbureau Jans Knigge van 15 december 2009 en 16 februari 2011 bieden, nu deze uitgaan van gevolgen van de realisering van het bouwplan die vergelijkbaar zijn met die waarvan het college is uitgegaan, geen grond voor dit oordeel.

Het door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] aangevoerde biedt voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de door hen gestelde geluids- en verkeersoverlast als gevolg van het in- en uitrijden van de voorziene parkeergarage onjuist heeft ingeschat en die gevolgen, mede gelet op de bestaande situatie waarin een aanneembedrijf op de locatie is gevestigd, zodanig zijn dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan kon verlenen.

[wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen tevens tevergeefs dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van de realisering van het bouwplan voor het vleermuizenverblijf in de bestaande bebouwing. Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van een vleermuizenverblijf in de bestaande bedrijfsbebouwing, betreft dit een belang dat niet door de realisering van het bouwplan, maar door de sloop van de bestaande bebouwing wordt geraakt. Het college heeft dit vleermuizenverblijf dan ook niet hoeven betrekken in de door hem te maken belangenafweging met betrekking tot de vrijstelling voor het bouwplan.

Anders dan [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen is evenmin aanleiding voor het oordeel dat de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan zodanig in twijfel moet worden getrokken dat het college daarvoor geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. De enkele bij hen bestaande twijfel is daarvoor onvoldoende.

Het betoog faalt.

2.14. De beroepen van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] tegen het besluit van 11 februari 2011 zijn ongegrond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. verklaart de beroepen van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 11 februari 2011 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

414-580.