Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201102565/1/H1 en 201102565/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het college geweigerd [appellant sub 2] vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het oprichten van een bedrijfsruimte met bovenwoning op het perceel aan de [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102565/1/H1 en 201102565/2/H1.

Datum uitspraak: 14 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college), om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de hoger beroepen van:

1. het college,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 21 januari 2011 in zaak nr. 09/2298 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het college geweigerd [appellant sub 2] vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het oprichten van een bedrijfsruimte met bovenwoning op het perceel aan de [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college binnen drie maanden een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts heeft zij daarbij bepaald dat de gemeente aan [appellant sub 2] een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit, met een maximum van € 5.000,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door drs. E. van der Klis en ing. R. Luijendijk, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door B.C. Schoenmaker, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uiterweg 1985" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Jachthaven".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor jachthaven met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder bedrijfswoningen, bedrijfsgebouwen, steigers, beschoeiingen en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen en water.

In het tweede lid is ten aanzien van de bebouwing van de in het eerste lid bedoelde gronden bepaald dat, voor zover de gronden op de kaart met een kleine arcering zijn aangegeven, daarop per bedrijf niet meer dan één bedrijfswoning mag worden gebouwd.

Het bouwplan betreft onder meer een tweede bedrijfswoning op het perceel en het is daarom in strijd met die bepaling.

2.3. Het college heeft aan de weigering onder meer ten grondslag gelegd dat het wonen achter bestaande lintbebouwing in strijd is met het gevoerde op 15 maart 2001 vastgestelde beleid, neergelegd in de "Aalsmeerse Gebiedsvisie", dat het toetsingskader vormt voor ruimtelijke ontwikkelingen (hierna: het beleid).

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat met de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 in zaak nr. 200906738/1, waarbij haar uitspraak van 3 september 2008 in zaak nr. 200704429/1 is herzien, is komen vast te staan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, doordat in het bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005" geen woonbestemming aan het perceel is toegekend, maar wel aan het perceel Uiterweg 104A, hoewel deze bestemming achter de zogenoemde lintbebouwing ligt. Het college moest op grond daarvan en reeds hierom aan [appellant sub 2] de gevraagde vrijstelling verlenen, waarbij het geen discretie heeft, aldus de rechtbank.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 ten onrechte heeft afgeleid dat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel tot de weigering heeft besloten en dat het in de gevallen, waar [appellant sub 2] naar verwijst, niet om vergelijkbare gevallen gaat.

2.5.1. In de uitspraak van 24 maart 2010 heeft de Afdeling het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005", wat betreft het plandeel met de bestemming "Jachthaven I" van het perceel, in strijd geacht met artikel 3:2, gelezen in verbinding met artikel 10:27 van de Awb. Dit betekent dat dat besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Uit de uitspraak volgt niet dat met het besluit het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Verder heeft het college zijn oordeel dat de situaties op de percelen aan de Uiterweg 104A, 394 en 407, waaraan in het bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005" een woonbestemming is toegekend, niet zodanig overeenkomen met de situatie waar de aanvraag op ziet, dat de gevraagde vrijstelling deswege moest worden verleend toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat op die percelen een bestaande woonsituatie bestond en op het perceel niet. Dat voor de woningen op de percelen aan de Uiterweg 104A, 394 en 407, als gesteld, geen vergunning voor het oprichten van een woning is verleend, maakt dat niet anders.

Voorts heeft het college ten aanzien van de gevallen, waar [appellant sub 2] naar verwijst, aannemelijk gemaakt dat het daarbij niet gaat om vergelijkbare gevallen. Zo heeft het onweersproken gesteld dat op de percelen Zwarteweg 116 en Teelmanstraat 2 niet achter de lintbebouwing wordt gewoond en dat voor de Bildammerweg 113 vrijstelling is verleend voor het bouwen van een woning, waar de lintbebouwing reeds was doorbroken. Voor de Uiterweg 224, waarop de bestemming "Woondoeleinden" rust, is volgens het college uitsluitend vrijstelling verleend voor het oprichten van een woning 2 m buiten het bouwvlak. Verder is voor de Uiterweg 34a in samenspraak met de Rijksdienst voor de monumentenzorg vrijstelling verleend voor het uitbreiden van een bestaande woning achter het woonlint, omdat die woning daarmee hersteld werd in de situatie in de 19e eeuw en is voor de Uiterweg 282A een vrijstellingsprocedure gestart voor de inpandige bewoning van een botenhuis, omdat dit gebruik, anders dan in dit geval, onder het overgangsrecht van het daar geldende bestemmingsplan kon worden gebracht. Dat op de percelen aan de Uiterweg 79, 368-370, 358, 348, 343, 245, 235, 188, 128, 90, 54, als gesteld, in strijd met het bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005" wordt gewoond, betekent evenmin dat het daarbij gaat om vergelijkbare gevallen, reeds omdat het college in al deze gevallen geen vrijstelling heeft verleend voor dat gebruik.

2.6. Gelet op het vorenstaande, heeft het college met de weigering het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De voorzitter zal daarom alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu zij daaraan niet is toegekomen.

2.7. [appellant sub 2] heeft in beroep betoogd dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren, nu de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel voor hem noodzakelijk is om zijn onderneming goed te kunnen exploiteren, doordat ook in zijn afwezigheid toezicht kan wordt gehouden, havengeld kan worden geïnd en passanten kunnen worden ontvangen.

2.7.1. Dat betoog faalt. Hetgeen [appellant sub 2] aldus heeft aangevoerd, is geen zodanig bijzondere omstandigheid dat op grond daarvan geoordeeld moet worden dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om ten gunste van [appellant sub 2] van het gevoerde beleid af te wijken.

2.8. Ten slotte faalt ook het betoog dat met de weigering het vertrouwensbeginsel is geschonden. Met de enkele stelling dat de gemeente hem jarenlang aan het lijntje heeft gehouden ten aanzien van zijn verzoek om een tweede bedrijfswoning te mogen bouwen, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat namens het college toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon dat vrijstelling verleend zou worden.

2.9. Het door het college ingestelde hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 april 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaren. Reeds hierom kan de hoger beroepsgrond van [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het vergoeden van de bij hem opgekomen proceskosten niet slagen. Het door [appellant sub 2] ingestelde hoger beroep is ongegrond.

2.10. Gelet op het vorenstaande, bestaat aanleiding het verzoek van het college om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2011 in zaak nr. 09/2298;

III. verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek van het college om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011

543.