Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201100208/1/H3 en 201100208/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2008 heeft het college een aanvraag van [verzoeker] om verlening van een vergunning om het pand aan de [locatie] te Vlissingen (hierna: het pand) om te zetten naar onzelfstandige woonruimte afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100208/1/H3 en 201100208/2/H3.

Datum uitspraak: 14 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker A] en [verzoekster B], wonend te [woonplaats] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de hoger beroepen van:

1. [verzoeker]

2. het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen (hierna: het college),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg (hierna de rechtbank) van 25 november 2010 in zaak nr. 09/780 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2008 heeft het college een aanvraag van [verzoeker] om verlening van een vergunning om het pand aan de [locatie] te Vlissingen (hierna: het pand) om te zetten naar onzelfstandige woonruimte afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 september 2009 heeft het een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van proceskosten afgewezen.

Bij uitspraak van 25 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 28 juli en 14 september 2009 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen die uitspraak hebben [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2011, hoger beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de gronden aangevuld bij brief van 25 januari 2011. Het college heeft dat gedaan bij brief van 4 februari 2011.

Voorts heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en het college hebben ieder afzonderlijk een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2011, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door P.B. Kruit, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbenden], vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening van de gemeente Vlissingen, zoals deze luidde ten tijde van belang, (hierna: de verordening), verstaat de verordening onder woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

Ingevolge artikel 2.1.1 is het bepaalde in deze paragraaf van toepassing op alle bestaande gebouwen die woonruimte bevatten in de gemeente Vlissingen.

Ingevolge artikel 2.1.2 is het verboden een woonruimte, als bedoeld in artikel 2.1.1, met het oog op het behoud of samenstelling van de woningvoorraad zonder vergunning van het college van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, weigert het college een vergunning, indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de omzettingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. Een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw wordt in ieder geval aanwezig geacht, indien meer dan 10% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de betreffende straat met dezelfde postcode wordt gebruikt voor huisvesting, als bedoeld in artikel 2.1.2.

2.3. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd, omdat het op grond van een gehouden inventarisatie, gesprekken met bewoners van de Bouwen Ewoutstraat te Vlissingen en de politiemutaties van oordeel is dat verlening een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand zou veroorzaken.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat [verzoeker] is geschaad in zijn belang om zich op een juiste wijze tegen de door het college getrokken conclusies te kunnen verweren, heeft miskend dat [verzoeker] in de gelegenheid is geweest op de gestelde vrees voor een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het pand in te gaan. Een selectie van de aan het besluit van 28 juli 2009 ten grondslag gelegde gegevens is aan de rechtbank overgelegd, aldus het college.

2.4.1. Dat betoog faalt. Niet in geschil is dat het college zijn oordeel mede heeft gebaseerd op stukken die niet in het geding zijn gebracht. De rechtbank heeft ten aanzien van die stukken terecht geoordeeld dat [verzoeker] erover moest kunnen beschikken om het oordeel gemotiveerd te kunnen weerspreken. Evenmin is in geschil dat het college in het besluit van

28 juli 2009 ter toelichting van zijn oordeel politiemutaties heeft gebruikt, die niet tevoren aan [verzoeker] kenbaar zijn gemaakt en waarop hij niet heeft kunnen reageren. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [verzoeker] daardoor in zijn belangen is geschaad. Zij heeft het besluit van 28 juli 2009 terecht deswege vernietigd.

2.5. [verzoeker] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte aan twee beroepsgronden is voorbijgegaan. Reeds daarom komt de aangevallen uitspraak volgens hem voor vernietiging in aanmerking.

2.5.1. De rechtbank heeft de toelichting op artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening in haar beoordeling betrokken. Zij is niet voorbijgegaan aan het betoog van [verzoeker] in beroep dat uit die toelichting valt af te leiden dat de vrees voor een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw, waarop de aanvraag betrekking heeft, geen zelfstandige weigeringsgrond oplevert. Dat deze beroepsgrond in de aangevallen uitspraak niet met zoveel woorden wordt vermeld bij de weergave van het standpunt van [verzoeker], doet daar niet aan af.

De aangevallen uitspraak komt evenmin voor vernietiging in aanmerking, voor zover de rechtbank [verzoeker] niet heeft gevolgd in het betoog dat het college in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb heeft besloten. Het advies van de bezwarenadviescommissie van

3 november 2008 bevat het verslag van het gehoor. Dat dat verslag niet met het besluit op bezwaar van 28 juli 2009 aan [verzoeker] is meegezonden, levert geen schending van die bepaling op. Het college is in het besluit van 28 juli 2009 niet van het advies van de commissie afgeweken. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [verzoeker] in zijn belangen is geschaad, doordat het verslag van de hoorzitting eerst na dat besluit aan hem is toegezonden. Hij heeft dat verslag bij het door hem ingestelde beroep kunnen betrekken. Het betoog faalt.

2.6. Voorts betoogt [verzoeker] dat de rechtbank, door hem niet te volgen in het betoog dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, heeft miskend dat het de verwachting heeft gewekt dat de vergunning zonder meer verleend zou worden en hij erop heeft mogen vertrouwen dat die toezegging zou worden nagekomen. Hij zou het pand niet hebben gekocht als hem de toezegging niet zou zijn gedaan, aldus [verzoeker].

2.6.1. De rechtbank heeft hem terecht niet in dat betoog gevolgd. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat namens het college toezeggingen zijn gedaan, als door hem gesteld. Dat een ambtenaar in dienst van de gemeente, als gesteld, een informatieverzoek van [verzoeker] heeft behandeld en hem in dat kader informatie heeft verstrekt over de vraag hoeveel kamerverhuurpanden in het betrokken postcodegebied bekend zijn, is daarvoor onvoldoende. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verder aan telefonische mededelingen van ambtenaren omtrent de afgifte van een omzettingsvergunning niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat in dit geval vergunning zou worden verleend. Dit vertrouwen kan evenmin worden ontleend aan de gestelde omstandigheid dat wel een gebruiksvergunning is verleend. Het betoogt faalt evenzeer.

2.7. [verzoeker] betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bij de toepassing van artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening terecht van een ruimere uitleg van de term "omgeving" is uitgegaan dan [verzoeker] daaraan gegeven wil zien, heeft miskend dat de term zó moet worden uitgelegd, dat de omgeving van een pand in elk geval niet groter is dan het gebied, waarin woningen met eenzelfde postcode zijn gelegen. De rechtbank heeft bij de uitleg van de term ten onrechte de woorden "in ieder geval" uit de tweede volzin van de bepaling betrokken. Hetgeen zich buiten het desbetreffende postcodegebied afspeelt of heeft afgespeeld, kan geen reden zijn om de gevraagde vergunning te weigeren, aldus [verzoeker].

2.7.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de term "omgeving" in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening alleen betrekking heeft op het gebied, waarin woningen met eenzelfde postcode zijn gelegen, als die van het pand, waarvoor vergunning is gevraagd. Deze term biedt het college de gelegenheid een ruimer gebied, dan dat waarin woningen met eenzelfde postcode zijn gelegen, als die van het pand waarvoor vergunning is gevraagd, te betrekken bij de beoordeling of het verlenen zal leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu. De rechtbank heeft de woorden "in ieder geval" uit de tweede volzin van artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening terecht bij de uitleg van de term betrokken en daaruit afgeleid dat in de tweede volzin geen limitatief bedoelde uitleg van de term "omgeving" bedoeld is.

De rechtbank heeft evenzeer terecht [verzoeker] niet gevolgd in het betoog dat de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening vermelde weigeringsgrond geen zelfstandig karakter heeft. Reeds omdat de tekst van de bepaling duidelijk is, kan het betoog van [verzoeker], gebaseerd op de toelichting op deze bepaling, niet slagen.

2.8. [verzoeker] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet zelf in de zaak heeft voorzien. Zij had volgens hem aan het door het college niet in geding brengen van stukken en het daarmee onthouden van relevante informatie als gevolg moeten verbinden dat de gevraagde vergunning aan hem verleend dient te worden. Daarbij had zij in aanmerking moeten nemen dat hij het verslag van de hoorzitting, gehouden op 3 november 2008, pas tien maanden later heeft ontvangen en het op dat moment voor hem niet meer mogelijk was om na te gaan of dat verslag volledig en correct is, aldus [verzoeker].

2.8.1. De rechtbank heeft terecht geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Dat [verzoeker] niet tijdig over de door de rechtbank bedoelde stukken kon beschikken, leidt niet tot het oordeel dat het college thans de gevraagde vergunning dient te verlenen en de rechtbank om die reden zelf had moeten voorzien. Ook dit betoog faalt.

2.9. Tot slot betoogt [verzoeker] dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij hem in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten. Het heeft bij het besluit van 28 juli 2009 erkend dat aan het besluit van 11 augustus 2008 een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank had daarom uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting tot de proceskostenveroordeling moeten beslissen, aldus [verzoeker].

2.9.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om het college te veroordelen tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bestaat aanspraak op vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen, indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het besluit van 28 juli 2009 is niet deswege herroepen. Het betoog faalt.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoekster B] in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011

187-597.