Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1862

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201011725/3/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2011 heeft het college een invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) genomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Algemene wet bestuursrecht 5:39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 882
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4923
BA 2011/101
JB 2011/136
JOM 2011/469
JOM 2011/503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011725/3/M1.

Datum uitspraak: 14 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2011 heeft het college een invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) genomen.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de rechtbank 's-Hertogenbosch ingekomen op 2 maart 2011, heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het college het bezwaarschrift en de rechtbank het verzoekschrift doorgezonden aan de Raad van State ter behandeling als beroepschrift onderscheidenlijk verzoekschrift.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 april 2011, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, ing. H.H.C. Neelen en A.T.H.M. Liebregts, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, A.W. Adriaansen en P. Hubers, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 9 november 2006 is voor de onderhavige inrichting op het perceel[locatie] te [plaats], een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend.

2.3. Bij besluit van 26 maart 2010 heeft het college [verzoekster] een aantal lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet milieubeheer en van voorschriften van de op 9 november 2006 verleende vergunning. Bij besluit van 18 november 2010 heeft het college het door [verzoekster] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Daartegen heeft [verzoekster] op 6 december 2010 beroep bij de Afdeling ingesteld. Last 5 houdt in dat het verboden is (verontreinigd) afvalwater binnen de inrichting te mengen en/of te storten of te lozen in opslaghopen van (afval)stoffen en/of op of in de bodem te brengen. Last 10 houdt in dat vergunningvoorschrift 2.2.2 niet mag worden overtreden. De begunstigingstermijn, die aan beide lasten is verbonden, liep tot 8 mei 2010.

2.4. Bij besluit van 14 februari 2011 heeft het college besloten tot invordering van dwangsommen van in totaal € 20.000,00 en een bedrag aan rente, die wegens niet naleving van de lasten 5 en 10 zijn verbeurd.

2.5. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover hier van belang, indien bij de Afdeling bestuursrechtspraak beroep kan worden ingesteld, hoofdstuk 8 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

2.6. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

De Afdeling is bevoegd op het beroep tegen het besluit van 26 maart 2010 tot oplegging van lasten onder dwangsom te beslissen. Nu de Afdeling op dat beroep nog niet heeft beslist en [verzoekster] het invorderingsbesluit van 14 februari 2011 betwist, vloeit uit artikel 5:39 voort dat bedoeld beroep mede op het invorderingsbesluit van 14 februari 2011 betrekking heeft. Derhalve is de voorzitter bevoegd op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zake van dit besluit te beslissen.

2.7. Bij uitspraak van de voorzitter van 30 december 2010 in zaak nr. 201011725/2 is het besluit van 26 maart 2010 tot oplegging van de lasten onder dwangsom geschorst voor zover het last 4 betreft en voor het overige in stand gelaten. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek is slechts de vraag aan de orde of onverwijlde spoed bestaat die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het invorderingsbesluit van 14 februari 2011 vereist.

2.8. Het college stelt dat bij diverse controles is geconstateerd dat niet aan de lasten 5 en 10 werd voldaan. Op 26 oktober 2010 heeft het college geconstateerd dat last 5 werd overtreden en op 29 en 30 september 2010 dat last 10 werd overtreden. [verzoekster] betwist dit en stelt dat derhalve geen dwangsommen zijn verbeurd.

2.8.1. De voorzitter komt aan een beoordeling hiervan niet toe, nu er geen onverwijlde spoed is die, bij afweging van de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door betaling van de verbeurde dwangsommen in haar voortbestaan wordt bedreigd of ernstig in haar bedrijfsuitoefening wordt belemmerd. Ook de huidige economische omstandigheden als gevolg waarvan [verzoekster], naar zij stelt, wordt geconfronteerd met omzetdaling en verlies, vormen onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011

159-650.