Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201010435/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 20 wooneenheden op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010435/1/H1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 september 2010 in zaken nrs. 10/1501 en 10/523 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 20 wooneenheden op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 december 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2010, verzonden op 23 september 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 november 2010.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. A.J.L. Claassen, advocaat te Eindhoven, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van [appellant] dat op het perceel bomen zijn gekapt zonder de daarvoor benodigde kapvergunning, en dat zonder zijn toestemming onder meer een boom is verwijderd waarvan hij mede-eigenaar was, staat in deze procedure niet ter beoordeling, aangezien dit niet de verlening van vrijstelling en bouwvergunning betreft, maar de handhaving op basis van de daarop van toepassing zijnde regelgeving. Dit betoog kan daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van 20 appartementen in een gebouw dat ten dele bestaat uit drie bouwlagen op het perceel, waarop reeds een monumentale villa staat en een lager gebouw dat in gebruik is als bedrijfsgebouw. Bij het bouwplan zijn 25 parkeerplaatsen voorzien.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Gestel binnen de Ring 2007" rusten op het perceel de bestemmingen "Gemengde doeleinden" en "Archeologisch verwachtingsgebied". Het college heeft, voor zover thans van belang, met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO, vrijstelling verleend ten behoeve van de gronden waarop de bestemming "Gemengde doeleinden" rust, omdat deze gronden, voor zover van belang, zijn bestemd voor wonen in bestaande bebouwing en omdat binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak dient te worden gebouwd, en het bouwplan in zoverre in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit van 29 december 2009 ten onrechte niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.5.1. Ingevolge artikel 19a, vierde lid, van de WRO, voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

2.5.2. In zijn besluit van 12 maart 2009 heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling verleend. Dit besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. In het besluit van 29 december 2009 heeft het college geconcludeerd dat het zich ten onrechte op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO bevoegd heeft geacht vrijstelling te verlenen en heeft het, nadat het van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verklaring van geen bezwaar heeft ontvangen, alsnog krachtens het eerste lid van dat artikel vrijstelling ten behoeve van het bouwplan verleend.

Dat het college bij besluit van 29 december 2009 heeft geconcludeerd dat het bij besluit van 12 maart 2009 ten onrechte met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling heeft verleend, biedt geen grond voor het oordeel dat het opnieuw doorlopen van de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb niet kon worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van die wet. In dit verband heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderscheidenlijk het tweede lid, van de WRO, op grond van het bepaalde in artikel 19a van die wet, op dezelfde wijze wordt voorbereid. Ook de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheid dat het bestemmingsplan "Gestel binnen de Ring 2007" in werking was getreden na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, biedt geen grond voor het oordeel dat ter voorbereiding van het besluit van 29 december 2009 de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw in zijn geheel diende te worden doorlopen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voert hij aan dat niet wordt aangesloten bij de bestaande bouwhoogte, en dat niet is gebleken dat bij het bouwplan voldoende parkeerplaatsen zijn voorzien, omdat onduidelijk is voor welke bomen een kapvergunning is verleend en waar ter compensatie van gekapte bomen nieuwe aanplant zal plaatsvinden.

2.6.1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat, voor zover hier van belang, uitsluitend de reeds op het perceel bestaande bouw- en goothoogte zijn toegestaan. Vaststaat dat de volgens het bouwplan voorziene bebouwing hoger is dan de bebouwing die thans op het perceel aanwezig is.

In de ruimtelijke onderbouwing, waarvan de reactie van het college van 24 april 2009 op de door [appellant] ingediende zienswijze onderdeel uitmaakt, is uitdrukkelijk ingegaan op de in ruimtelijk opzicht relevante aspecten van het bouwplan, waaronder begrepen de bouwhoogte. Uit de ruimtelijke onderbouwing kan worden afgeleid dat het bouwplan aansluit bij de bestaande, omliggende, bebouwing, en dat daarbij tevens de groene kwaliteit en de bestaande monumentale bomen van de locatie worden benut. Ter zitting heeft het college nog benadrukt dat de hoogte van de op te richten appartementen is afgestemd op onder meer de aangrenzende bebouwing, en dat de appartementen lager zijn dan de woning van [appellant]. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat, in tegenstelling tot hetgeen [appellant] ter zitting heeft betoogd, in het kader van de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de vrijstelling, de hoogte van de thans aanwezige en te slopen bebouwing op het perceel, geen rol speelt.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 september 2006 in zaak nr. 200508020/1), is voor de toets van de bouwaanvraag de opgave van het aantal parkeerplaatsen volgens de bouwtekening bepalend. Op basis daarvan wordt de bouwvergunning verleend. Nu niet in geschil is dat 24 parkeerplaatsen benodigd zijn en blijkens de bouwtekening is voorzien in 25 parkeerplaatsen, heeft de voorzieningenrechter in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat bij het bouwplan niet is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Dat een tekening ten behoeve van de verkoop van appartementen afwijkt van de bouwtekening, leidt, gelet op het vorenstaande, niet tot een ander oordeel.

Voorts is ter zitting gebleken dat geen onduidelijkheid bestaat over de vraag welke bomen op het perceel zullen blijven staan. Tevens is gebleken dat de gemeente, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, geen gronden uit de openbare ruimte aan [vergunninghoudster] heeft verkocht om het benodigde aantal parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Het college heeft in dit verband verklaard dat één parkeerplaats aan de openbare weg wordt onttrokken, en dat ter compensatie daarvan aan de Hoogstraat een extra parkeerplaats wordt ingericht.

2.6.3. Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel, dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het betoog faalt.

2.7. Verder betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling. Daartoe voert hij aan dat de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder als gevolg van het wegverkeer in de Hoogstraat wordt overschreden, hetgeen in strijd is met die wet. Voorts voert hij daartoe aan dat de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan niet is verzekerd.

2.7.1. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bouwplan. Dit besluit is inmiddels onherroepelijk. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat, gelet hierop, niet is gebleken dat het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan in strijd is met de Wet geluidhinder.

2.7.2. Daargelaten of ten tijde van de zitting van 25 augustus 2010 tien appartementen waren verkocht of dat enige personen een optie op een appartement hadden genomen, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet economisch uitvoerbaar is. In de schriftelijke uiteenzetting van 21 december 2010 heeft [vergunninghoudster] vermeld dat op dat moment dertien woningen waren verkocht en een optie was genomen op twee ervan. De enkele stelling dat sprake is van een economische crisis met gevolgen voor de bouwsector, leidt niet tot het oordeel dat het bouwplan niet economisch uitvoerbaar is. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7.3. [appellant] heeft zijn betoog dat als gevolg van het bouwplan zijn privacy onevenredig wordt aangetast, niet nader onderbouwd. De foto's die hij ter zitting heeft getoond, zijn daartoe niet voldoende. Het betoog kan daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.7.4. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij ter zitting heeft betoogd, tijdens het bouwrijp maken van het perceel op 13 december 2010 de daar aanwezige alpenwatersalamander grotendeels uit zijn leefomgeving is verjaagd. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat dit blijkt uit een onderzoek dat het ecologisch adviesbureau Ecologica op die datum ter plaatse heeft uitgevoerd, waarbij één exemplaar van deze salamander is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. In dit verband heeft [vergunninghoudster] ter zitting toegelicht dat het bouwen plaatsvindt overeenkomstig de gedragsnormen van branchevereniging Bouwend Nederland, en dat is vastgesteld dat het perceel geen geschikte leefomgeving is voor de alpenwatersalamander.

2.7.5. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het college in redelijk gebruik kon maken van zijn bevoegdheid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

357-619.