Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201008829/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft het college onder oplegging van een last onder dwangsom [appellant] gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beƫindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008829/1/H1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 juli 2010 in zaak nr. 10/936 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft het college onder oplegging van een last onder dwangsom [appellant] gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beƫindigen.

Bij besluit van 22 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2010, verzonden op 29 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 januari 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op 27 oktober 2010, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar genomen.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.E. Goedegebuur, advocaat te Bergen op Zoom, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het gebruik van het pand op het perceel betreft de verkoop van groenten en fruit aan particulieren op vrijdag van 12.00 tot 16.00 uur. Niet in geschil is dat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201008830/1/H1 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten te weigeren ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand op het perceel.

2.4. Anders dan [appellant] betoogt, betreft de onjuiste datering door de rechtbank van de door [appellant] ingediende aanvraag om ontheffing van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan, een kennelijke verschrijving, die niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank, in navolging van het college, ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de situatie op het perceel van Boerenbond aan de Oude Moerstraatsebaan 31, op het perceel van Kantoor Store aan de Veilingdreef 35 en het perceel van Proviform aan de Oude Moerstraatsebaan 46 te Bergen op Zoom niet kan worden beschouwd als gevallen die gelijk zijn aan de situatie op zijn perceel. Ten aanzien van Boerenbond voert hij in dit verband aan dat dit bedrijf ook andere artikelen verkoopt dan de tuinartikelen waarvan de verkoop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan is toegestaan. Ten aanzien van Kantoor Store en Proviform voert hij aan dat deze bedrijven, anders dan het college stelt, wel degelijk producten aan particulieren verkopen. Voorts betoogt hij dat de rechtbank de door hem ter zitting genoemde winkel in het seniorencomplex Residentie Moermont op het gelijknamige bedrijventerrein, ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.5.1. Het bestemmingsplan dat van toepassing is op de gronden waar Boerenbond is gevestigd, bevat geen definitie van het begrip 'tuinartikelen'. Niet aannemelijk is geworden dat Boerenbond op het perceel Oude Moerstraatsebaan 31 producten aan particulieren verkoopt, die niet onder dat begrip kunnen worden geschaard. Gebleken is dat Kantoor Store zich richt op de verkoop aan de zakelijke markt van kantoorartikelen zowel op het perceel aan de Veilingdreef 35 als via internet. Van verkoop op het perceel aan particulieren is daarom geen sprake. Proviform verkoopt zijn producten rechtstreeks aan particulieren wanneer deze die producten niet langs de gebruikelijke kanalen kunnen verkrijgen. De levering van die producten gebeurt dan via verzending per post, zodat van enige ruimtelijke uitstraling van deze verkoop geen sprake is.

Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat de situatie bij deze bedrijven zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college op grond daarvan had behoren af te zien van handhavend optreden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Ten aanzien van de winkel die zich in Residentie Moermont bevindt, heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat deze slechts bedoeld is voor de bewoners van het seniorencomplex en dat van detailhandelsverkoop aan het algemene publiek geen sprake is.

De betogen falen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.7. Het college heeft op 27 oktober 2010, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2009. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.8. In het besluit van 27 oktober 2010 heeft het college zich met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel onder meer op het standpunt gesteld dat het tijdens een controle bij The Phone House heeft geconstateerd dat op dat perceel, in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, producten aan particulieren werden verkocht. Het is voornemens hiertegen handhavend op te treden en zal [appellant] hiervan afschrift doen toekomen. Ten aanzien van bloemenhandel C.J.G. Bouman aan de Bongaertsweg 2b heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kleinschalige verkoop aan particulieren evenmin een geval betreft dat gelijk is aan de thans aan de orde zijnde situatie.

2.9. In het beroepschrift tegen het besluit van 27 oktober 2010 betoogt [appellant] dat het college zijn bezwaren opnieuw ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Hij voert daartoe aan dat het college ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat Boerenbond, Kantoor Store en Proviform niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd. Verder voert hij aan dat het college tegen The Phone House en C.J.G. Bouman niet handhavend optreedt, terwijl deze wel gelijke gevallen betreffen. Voorts voert hij aan dat het college ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de winkel in Residentie Moermont.

2.9.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 2.5.1. heeft overwogen, is het college er terecht van uitgegaan dat Boerenbond, Kantoor Store en Proviform niet als gelijke gevallen dienen te worden beschouwd. Vaststaat dat het college aan The Phone House inmiddels een vooraanschrijving tot handhaving heeft verzonden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het naar aanleiding van een zienswijze die het ter zake heeft ontvangen, heeft besloten nader onderzoek te verrichten in verband met het mogelijk van toepassing zijn van overgangsrecht, alsmede naar het percentage dat de detailhandel uitmaakt van het geheel aan bedrijfsactiviteiten van The Phone House. Het heeft The Phone House daarbij laten weten dat verkoop aan particulieren hangende deze onderzoeken niet is toegestaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat het college jegens The Phone House niet handhavend optreedt.

Voorts heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke uitstraling van de verkoop van bloemen aan particulieren door het bedrijf van C.J.G. Bouman zodanig incidenteel en kleinschalig is dat van strijd met de ter plaatse geldende bestemming geen sprake is en dat deze daarom niet op een lijn is te stellen met de verkoop van groenten en fruit aan particulieren door [appellant]. Het enkele feit dat, naar [appellant] ter zitting heeft betoogd, door het bedrijf reclame wordt gemaakt ten behoeve van de verkoop aan particulieren, biedt geen grond voor een ander oordeel.

Dat het college geen nader onderzoek heeft verricht naar de winkel in Residentie Moermont kan niet worden tegengeworpen, nu een dergelijk onderzoek geen onderdeel uitmaakt van hetgeen de rechtbank het college bij de aangevallen uitspraak heeft opgedragen. Voorts heeft de Afdeling hiervoor onder 2.5.1. ten aanzien van deze winkel overwogen dat geen sprake is van detailhandelsverkoop aan het algemene publiek.

Gelet op het voorgaande, overweegt de Afdeling dat de door [appellant] bedoelde situaties niet zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen.

De betogen falen.

2.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het had behoren af te zien van handhaving van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand op het perceel.

2.11. Het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2010 is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2010, kenmerk U10-035661, waarbij opnieuw op het door [appellant] gemaakte bewaar is beslist, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

357-619.