Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201008726/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de gemeente Rotterdam voor een periode van tien jaar vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het aanleggen van een baggerdepot aan de President Rooseveltweg te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008726/1/H1.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/1752 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de gemeente Rotterdam voor een periode van tien jaar vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het aanleggen van een baggerdepot aan de President Rooseveltweg te Rotterdam.

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het dagelijks bestuur het door onder meer [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op 23 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 september 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De gemeente Rotterdam heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2011, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. A.A. Alciyan, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het baggerdepot dient ter ontwatering en rijping van baggerspecie klasse 0, schone bagger, en klasse 1, licht verontreinigde bagger, die in hoofdzaak afkomstig is van watergangen in de deelgemeenten Prins Alexander en Hillegersberg/Schiebroek. Nadat de baggerspecie is ontwaterd en gerijpt, wordt deze als grond toegepast in bedoelde deelgemeenten of elders, en wordt de volgende zogeheten charge baggerspecie aangevoerd om te ontwateren en te rijpen. Het inbrengen van baggerspecie vindt plaats in de maanden september tot en met april. De bagger wordt per vrachtauto aangevoerd met een gemiddelde van tien en een maximum van twintig vrachtauto's per dag.

2.2. Anders dan [appellanten] betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dagelijks bestuur toereikend heeft gemotiveerd dat het bij de afweging van de milieuaspecten die met de vrijstelling ten behoeve van de aanleg van het baggerdepot verband houden, voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het baggerdepot is voorzien in de directe nabijheid van het ter plaatse al aanwezige gronddepot. In het besluit van 21 april 2009 heeft het, zoals het eveneens ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard, de cumulatie van hinder betrokken bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ter plaatse. Ter zitting van de Afdeling heeft het dagelijks bestuur nog toegelicht dat, nu in het gronddepot alleen schone grond wordt opgeslagen, alleen het verstuiven van zand een nadelig effect zou kunnen zijn. In de milieuvergunning ten behoeve van het gronddepot zijn in dat verband voorschriften opgenomen, die ook aan de milieuvergunning ten behoeve van het baggerdepot kunnen worden verbonden. Voorts heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat, ter beperking van de hinder voor de omliggende woonwijken, naast het baggerdepot een aarden wal zal worden opgericht, waarop bomen of struiken worden aangebracht, en dat de toegangsweg naar de beide depots op verzoek van omwonenden in westelijke richting wordt verplaatst.

Dat het dagelijks bestuur in het besluit van 21 april 2009 overigens niet expliciet is ingegaan op de gestelde cumulatie van hinder, leidt niet tot de conclusie dat het besluit niet toereikend is gemotiveerd, nu [appellanten] deze grond in de zienswijze noch in het bezwaar naar voren hebben gebracht.

Voor zover [appellanten] betogen dat zij niet eerder dan ter zitting bij de rechtbank ervan op de hoogte waren dat het baggerdepot naast het gronddepot is voorzien, faalt dit betoog, nu ten tijde van de kennisgeving van 4 augustus 2005 door het dagelijks bestuur van de inspraakprocedure ten behoeve van het baggerdepot, de locatie ervan duidelijk was, terwijl deze tevens blijkt uit het besluit van 20 juni 2008.

Het betoog faalt.

2.3. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op voorhand duidelijk is dat door middel van de twee alternatieve locaties voor het baggerdepot die door het dagelijks bestuur zijn onderzocht, een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren, omdat deze in een minder druk bevolkt gebied zijn gelegen. Het dagelijks bestuur heeft zijn keuze voor de huidige locatie daarom onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellanten].

2.3.1. Uit de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting is aangevoerd, blijkt dat het dagelijks bestuur onderzoek heeft gedaan naar enige alternatieve locaties, waaronder het Wollefoppenpark en het Ommoordseveld in de deelgemeente Prins Alexander. Deze locaties zijn echter voor niet meer dan een jaar of enkele jaren beschikbaar, en niet voor de gewenste periode van tien jaar, waardoor deze weliswaar geschikt zijn voor eenmalig gebruik als tijdelijk depot, maar niet voor het gewenste doorgangsdepot. Verder is gebleken dat het storten van baggerspecie in de Zevenhuizerplas voor het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard geen acceptabel alternatief was. Voorts wordt, door een locatie te kiezen die in de nabije omgeving van het baggerwerk is gelegen, bezuinigd op transport- en energiekosten, als ook op de kosten van depotcapaciteit.

Naar het dagelijks bestuur ter zitting heeft toegelicht, heeft het tevens onderzocht of bagger op de oevers van de uitgebaggerde watergangen kon worden gestort. Dit bleek niet mogelijk, omdat de oevers daarvoor te steil bleken te zijn, dan wel de gazons langs de watergangen te smal waren. Het betoog van [appellanten] ter zitting dat de Kralingse Plas een alternatief is, en dat daar volgens hen op dit moment bagger wordt gestort, is door het college gemotiveerd bestreden door toe te lichten dat op die locatie geen bagger wordt gestort, maar verondieping van de oevers plaatsvindt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken dat het dagelijks bestuur onvoldoende onderzoek heeft verricht naar alternatieve locaties, en dat het evenmin van vrijstelling had behoren af te zien, omdat niet op voorhand duidelijk was dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Ook dit betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

357-619.