Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201007914/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft de raad de aanvraag van [belanghebbende] om vergoeding van de ten behoeve van [appellant] verleende rechtsbijstand en van bestede extra uren afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007914/1/H2.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2010 in zaak nr. 09/2368 in het geding tussen:

[wederpartij] (lees: [appellant])

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft de raad de aanvraag van [belanghebbende] om vergoeding van de ten behoeve van [appellant] verleende rechtsbijstand en van bestede extra uren afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2009 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2010, verzonden op 5 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2011, de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad betoogt in verweer dat hij het door [appellant] tegen het besluit van 2 juli 2008 gemaakte bezwaar ontvankelijk heeft geacht, omdat het tevens was gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om extra uren, maar dat de rechtbank heeft miskend dat het beroep van [appellant] uitsluitend was gericht tegen de vaststelling van de aan de rechtshulpverlener toekomende vergoeding en [appellant] in zoverre geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bij het besluit van 2 juli 2008.

2.2. Naar aanleiding van deze, ook ambtshalve te onderzoeken, door de raad opgeworpen vraag overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft gedaan (uitspraak van 2 september 2009 in zaak nr. 200901532/2/H2) dat het belang van de rechtzoekende niet rechtstreeks is betrokken bij een besluit waarbij de hoogte van de aan de rechtshulpverlener toekomende vergoeding is vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de rechtsbijstand op basis van toevoeging al is verleend en de rechtzoekende daarvoor een eigen bijdrage die voortvloeit uit draagkracht verschuldigd is aan de rechtsbijstandverlener. Niet gebleken is dat deze eigen bijdrage beïnvloed zal worden door de uitkomst van deze procedure. Nu het beroep, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, alleen is ingesteld namens [appellant] en niet mede namens [wederpartij] of [belanghebbende] en slechts is gericht tegen het besluit van 2 juli 2008, voor zover daarbij de hoogte van de aan de rechtshulpverlener toekomende vergoeding is vastgesteld, had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 juli 2008 van de raad alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2010 in zaak nr. 09/2368;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. gelast dat de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

362-630.