Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201003581/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "300 meterstrook, Scheendijk-Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003581/1/R2.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Utrecht, Apeldoorn en Maartensdijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jachthaven de Opbouw B.V. en [appellant sub 2], gevestigd respectievelijk wonend te Scheendijk, gemeente Stichtse Vecht (hierna tezamen en in enkelvoud: jachthaven De Opbouw),

3. [appellanten sub 3], wonend te Scheendijk, gemeente Stichtse Vecht,

en

de raad van de gemeente Breukelen, thans: Stichtse Vecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "300 meterstrook, Scheendijk-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2010, jachthaven De Opbouw bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, en [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2010, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 mei 2010. [appellanten sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 15 april 2010 en 17 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. L.J.H. de Vink, jachthaven De Opbouw, vertegenwoordigd door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, [appellanten sub 3], in persoon en vertegenwoordigd door mr. P. van Veen, en de raad vertegenwoordigd door A.F.J.M. Emmelot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. G.M. Kool, advocaat te Waverveen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor een strook van 300 meter gelegen aan het Loosdrechtse plassengebied. Het plangebied is met name ingericht voor recreatieve doeleinden.

2.2. Beroep [appellanten sub 1]

2.2.1. [appellanten sub 1] hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel dat ziet op het perceel [locatie 1]. Zij betogen dat ten onrechte slechts één recreatiewoning op het perceel is toegelaten. [appellanten sub 1] voeren aan dat op het perceel tenminste twee aaneen gebouwde recreatiewoningen met een minimum inhoud van 200 m3, dan wel één zelfstandige burgerwoning van 500 m3 toegelaten had moeten worden. Het betoog van de raad dat de toekenning van meer bebouwingsmogelijkheden niet mogelijk is aangezien daarmee het doorzicht naar de plas vanaf de openbare weg wordt belemmerd is ondeugdelijk. Voorts betogen [appellanten sub 1] dat op nabij gelegen percelen dichte bebouwing wel is toegestaan. Het gemeentebestuur is derhalve niet eenduidig in het hanteren van zijn kaders en handelt daarmee in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat legakkers die in de huidige situatie niet of slechts spaarzaam zijn bebouwd zoveel mogelijk dienen te worden beschermd tegen intensieve bebouwing. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de door [appellanten sub 1] genoemde percelen niet vergelijkbaar zijn met het perceel [locatie 1].

2.2.3. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Groen" met de aanduiding "recreatiewoning" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder a, van de planregels is op gronden met de bestemming "Groen" ten hoogste één recreatiewoning met al of niet inpandige bergingen, ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' toegestaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels mag de inhoud van een recreatiewoning, niet meegerekend al of niet inpandige bergingen, niet meer dan 200 m3, de goothoogte niet meer dan drie meter en de bouwhoogte niet meer dan drie en een halve meter bedragen.

Blijkens de plantoelichting is het uitgangspunt van het plan om open en extensieve legakkers te behouden. Op legakkers waarop verblijfsrecreatie-objecten aanwezig zijn op een zeer ruim perceel, zijn in het plan derhalve de bebouwingsmogelijkheden niet uitgebreid. De Afdeling acht dit uitgangspunt van de raad niet onredelijk.

Het betoog van [appellanten sub 1] dat de raad een onjuiste toepassing geeft aan het uitgangspunt dat het doorzicht naar de plas open dient te blijven, treft geen doel nu het door de raad gehanteerde uitgangspunt niet ziet op het openhouden van het doorzicht maar op het behoud van het extensieve karakter van de legakkers.

Het perceel [locatie 1] is een open en extensieve legakker. Met artikel 3, lid 3.2.1, onder a, van de planregels, die beperkte bebouwing op het perceel mogelijk maakt, wordt derhalve recht gedaan aan het door de raad gehanteerde uitgangspunt.

Voorts biedt het plan met de toegelaten inhoudsmaat van 200 m3 de mogelijkheid de op het perceel aanwezige woning aanzienlijk uit te breiden. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij een zwaarwegend belang hebben bij meer bebouwingsmogelijkheden.

2.2.4. Ten aanzien van de door [appellanten sub 1] gemaakte vergelijking met de bebouwingsmogelijkheden op omliggende percelen aan de Scheendijk wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat op de door [appellanten sub 1] genoemde percelen, anders dan op het perceel [locatie 1], sprake is van vervangende nieuwbouw. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 1] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.2.5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft het plandeel dat ziet op het perceel [locatie 1] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.3. Beroep jachthaven De Opbouw

2.3.1. Jachthaven De Opbouw voert aan dat de in de planregels opgenomen maximummaten voor woonarken te beperkt zijn. Bredere woonarken zijn stabieler en veiliger en bovendien zijn hogere woonarken architectonisch aantrekkelijker en passen die beter in het landschap. Verder betoogt jachthaven De Opbouw dat de raad ten onrechte in het plan niet de mogelijkheid heeft opgenomen om terrassen aan woonarken te maken.

Voorts voert hij aan dat ten onrechte op de percelen [locatie 2, 3 en 4] geen bedrijfswoning is toegestaan nu deze bedrijfswoningen noodzakelijk zijn voor het toezicht op de recreatiewoningen en schepen die zich bevinden op de percelen. Daarnaast voert jachthaven De Opbouw aan dat het gebied achter het perceel [locatie 2] in het plan had moeten worden opgenomen aangezien dit sinds jaren in gebruik is als onderdeel van de jachthaven.

Jachthaven De Opbouw betoogt verder dat door slechts bedrijven toe te staan met aan watersport gerelateerde bedrijvigheid, tekort wordt gedaan aan de functie van het Jachthavengebied Scheendijk, aangezien de nadruk in het gebied ligt op recreatie.

Met betrekking tot het perceel [locatie 5] betoogt jachthaven De Opbouw dat de raad ten onrechte maar een drietal in plaats van zestien recreatieappartementen op dit perceel in het plan heeft voorzien.

2.3.2. De raad stelt zich op het standpunt dat met de gekozen maatvoering voor de woonarken en het niet opnemen van de mogelijkheid om terrassen aan woonarken te maken, het water tussen de intensief bebouwde legakkers zoveel mogelijk open blijft en verder dat woonarken met de bedoelde maten geschikt zijn voor hun bestemming tot recreatieve doeleinden.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het beleid om per legakker een bedrijfswoning te bouwen niet langer wordt gehanteerd en dat geen noodzaak bestaat voor de door jachthaven De Opbouw beoogde bedrijfswoningen. Derhalve zijn in het plan slechts de bestaande bedrijfswoningen als zodanig bestemd. De raad stelt voorts dat de stelling van jachthaven De Opbouw dat slechts bedrijven met een aan watersport gerelateerde functie zijn toegestaan niet juist is nu ook in beperkte mate andere functies zijn toegestaan.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat er geen aanleiding is om het gebied achter het perceel [locatie 2] op te nemen in het plan aangezien op die gronden sprake is van een extensievere vorm van recreatie. Bovendien is bij het bepalen van de plangrens zoveel mogelijk aangesloten bij de kadastrale grenzen en komt de begrenzing overeen met de begrenzing van het vorige plan. Met betrekking tot de op het perceel [locatie 5] gewenste zestien recreatieappartementen stelt de raad zich op het standpunt dat een dergelijke bouwmassa te fors is in het gebied.

2.3.3. Ingevolge artikel 8, lid 8.3.1, van de planregels mag de lengte van een recreatieark, buitenwerks gemeten, niet meer dan zestien meter, de breedte niet meer dan vier meter, de bouwhoogte niet meer dan drie en een halve meter en de inhoud niet meer dan 224 m3 bedragen.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gekozen maatvoering, in het bijzonder de maximale toegestane breedte, in het belang is van het behoud van het open karakter van het water tussen de intensief bebouwde legakkers. Voorts overweegt de Afdeling dat jachthaven De Opbouw zijn stelling dat de gekozen maatvoering zal leiden tot onstabiele en onveilige situaties niet nader heeft onderbouwd. Tevens is niet aannemelijk gemaakt dat een grotere maximale hoogte uit architectonisch oogpunt of voor een goede landschappelijke inpassing van woonarken noodzakelijk is.

2.3.4. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, aanhef en onder c, van de planregels mag bij elke recreatieark die in de planregels is toegestaan uitsluitend worden gebouwd, ten hoogste één steiger en ten hoogste één omloop.

De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het open houden van het water dan aan het door jachthaven De Opbouw gestelde belang van het verbeteren van het wooncomfort van woonarken door het mogelijk maken van terrassen. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de door jachthaven De Opbouw beoogde terrasfunctie tevens op andere wijze zal kunnen worden bereikt en dat de planregels het aanbrengen van een terras op een woonark binnen de gestelde maximummaten niet verbieden. Daarnaast is ter zitting vast komen te staan dat woonarken tevens beschikken over een buitenruimte op de wal.

2.3.5. Met betrekking tot het betoog van jachthaven De Opbouw dat ten onrechte op de percelen [locatie 2, 3 en 4] geen bedrijfswoning is toegelaten, overweegt de Afdeling het volgende. De jachthaven van jachthaven De Opbouw omvat de percelen [locatie 2, 3, 4 en 5]. Blijkens de verbeelding is op het perceel [locatie 5] een bedrijfswoning toegelaten. Jachthaven De Opbouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de bedrijfswoning op het perceel [locatie 5] niet voldoende toezicht op de recreatiewoningen en schepen op de percelen [locatie 2, 3 en 4] kan worden gehouden. De Afdeling is, gezien het voorgaande, met de raad van oordeel dat voor bedrijfswoningen op de percelen [locatie 2, 3 en 4] geen noodzaak bestaat.

2.3.6. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In aanmerking genomen de door de raad naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat tussen het plangebied en de gronden achter het perceel [locatie 2] een onverbrekelijke ruimtelijke samenhang bestaat. Gelet hierop en gegeven de beleidsvrijheid in dezen, kan het standpunt van de raad om laatst bedoelde gronden buiten het plangebied te laten, niet onredelijk geacht worden.

2.3.7. Voor zover jachthaven De Opbouw betoogt dat de raad ten onrechte de in het plangebied toegestane bedrijvigheid heeft beperkt tot aan watersport gerelateerde functies overweegt de Afdeling het volgende.

Het perceel [locatie 4] van jachthaven De Opbouw heeft de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie" met de nadere aanduiding 08. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor, voor zover van belang, detailhandel, hotel, botel, pensionaccommodatie, kantoor en horeca in de vorm van zaal- en vergaderaccommodatie tot een bruto vloeroppervlakte van 264 m2.

Ingevolge artikel 1, onder 22, van de planregels is detailhandel niet beperkt tot een bepaalde branche.

Gelet op het voorgaande kan de Afdeling jachthaven De Opbouw niet volgen in haar stelling dat het plan slechts aan watersport gerelateerde bedrijvigheid mogelijk maakt.

Voor zover jachthaven De Opbouw betoogt dat het plan ten onrechte niet andere bedrijvigheid toestaat, is de Afdeling van oordeel dat het standpunt van de raad dat het hier om een watersportgebied gaat dat zich niet leent voor de bedoelde bedrijvigheid, niet onredelijk is.

2.3.8. Met betrekking tot het betoog van jachthaven De Opbouw dat op het perceel [locatie 5] de bouw van zestien recreatieappartementen mogelijk gemaakt had moeten worden overweegt de Afdeling dat het standpunt van de raad dat een te grote bouwmassa zou ontstaan niet onredelijk geacht kan worden. De raad heeft hiermee bijzondere betekenis kunnen toekennen aan het feit dat nabij de onderhavige locatie al omvangrijke bebouwing staat.

Aangaande het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt overwogen dat jachthaven De Opbouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad de verwachting is gewekt dat het plan in de mogelijkheid zou voorzien om zestien appartementen op te richten. Weliswaar heeft het college van burgemeester en wethouders bij brieven van 7 februari 1995 en 19 februari 1996 aangegeven niet afwijzend te staan tegenover het vervangen van de bestaande bebouwing door zestien recreatieappartementen, doch in het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. Bovendien heeft het college van burgemeester en wethouders erop gewezen dat het voorbehoud geldt dat de raad met de bebouwingsmogelijkheid zal moeten instemmen en dat overleg zal moeten plaatsvinden met het provinciebestuur, dat waarschijnlijk kritisch tegenover het plan zal staan. Gelet hierop heeft jachthaven De Opbouw er niet op mogen vertrouwen dat de raad deze bouwmogelijkheid in het plan zou opnemen.

Ten aanzien van de door jachthaven De Opbouw gemaakte vergelijking met het Poortgebouw op het perceel Scheendijk 22 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie nu dat gebouw diende ter vervanging van een rommelige camping en bovendien lager is dan het door jachthaven De Opbouw gewenste gebouw. Deze feiten en omstandigheden zijn de Afdeling niet onjuist gebleken. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door jachthaven De Opbouw genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.3.9. In hetgeen jachthaven De Opbouw heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit voor zover bestreden anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Beroep [appellanten sub 3]

2.4.1. [appellanten sub 3] hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de toekenning van de bestemming "Recreatie - Jachthaven" aan de percelen [locatie 6] en [locatie 7]. Zij voeren aan dat het toekennen van de bestemming "Recreatie -Jachthaven" aan de percelen [locatie 6] en 26 in strijd is met het Koninklijk besluit van 13 september 1984, met het gemeentelijke en provinciale beleid en met de Nota Panorama Krayenhoff, Linieperspectief van de stuurgroep Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie, van maart 2004 (hierna: de nota) waarin staat dat behoud van de ruimtelijke ordening en cultuurhistorie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waarvan het plangebied deel uitmaakt, voorop dient te staan.

Voorts voeren [appellanten sub 3] aan overlast, een beperking van hun privacy en verlies aan uitzicht te zullen ondervinden door de jachthaven op genoemde percelen. Zij voeren aan dat het perceel [locatie 7] ten onrechte is bestemd als jachthaven, omdat dit in strijd is met een eerder opgestart handhavingstraject. Tevens betogen zij dat de toekenning van de jachthavenbestemming aan de twee percelen zal leiden tot parkeerproblemen en slechte bereikbaarheid van de Scheendijk voor hulpdiensten.

[appellanten sub 3] voeren verder aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen voor de natuur van de uitbreiding van de jachthaven.

Verder hebben [appellanten sub 3] bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de toekenning van de bestemming "Groen" aan het perceel [locatie 8]. Zij betogen dat aan hun perceel, [locatie 8], de bestemming "Recreatie -Jachthaven" had moeten worden toegekend. Zij voeren aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid nu aan het perceel [locatie 6] een jachthavenbestemming is toegekend terwijl er, evenals op het perceel van [appellanten sub 3], niet is voldaan aan het uitgangspunt van het gemeentebestuur dat de toekenning van de bestemming "Recreatie -Jachthaven" slechts mogelijk is als tenminste het perceel dat direct ligt aan de openbare weg bij de jachthaven hoort.

Zij voeren aan dat door de aan de percelen [locatie 6], 25-5 en 26 toegekende bestemmingen hun perceel in waarde zal verminderen.

2.4.2. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de percelen [locatie 6] en 26 een jachthavenbestemming is toegekend aangezien deze percelen reeds jarenlang als jachthaven in gebruik zijn. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat geen sprake is van rechtsongelijkheid.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat de nota bij de vaststelling van het plan is betrokken maar dat gelet op het intensief recreatief gebruik van het gebied uitvoering van de nota in het gebied niet haalbaar is. Tevens stelt de raad zich op het standpunt dat voldoende onderzoek is verricht naar de effecten van het plan voor de natuur.

Met betrekking tot de door [appellanten sub 3] gestelde overlast, beperking van de privacy en verlies aan uitzicht stelt de raad zich op het standpunt dat het plangebied zeer intensief voor recreatieve doeleinden wordt gebruikt, waardoor de nodige overlast inherent is aan het gebied. Verder stelt de raad dat op het moment dat [appellanten sub 3] hun perceel kochten en gingen bewonen de jachthaven reeds op de percelen [locatie 6 en 7] gevestigd was.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake zal zijn van een grote toename van de ligplaatsencapaciteit. Het onderhavige plan zal derhalve niet leiden tot parkeerproblemen en problemen met betrekking tot de bereikbaarheid voor de hulpdiensten.

De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van een jachthavenbestemming aan het perceel van [appellanten sub 3] uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk is. Tevens stelt de raad zich op het standpunt dat het toekennen van een jachthavenbestemming niet mogelijk is aangezien dit tot nieuwe bedrijfsbebouwing zou leiden hetgeen in strijd is met het gemeentelijk en provinciaal beleid om geen extra bedrijfsbebouwing in het buitengebied toe te laten. Verder betreft het een smalle legakker die de voor een jachthaven noodzakelijke bebouwing niet goed verdraagt.

2.4.3. Aangaande het betoog van [appellanten sub 3] dat de toekenning van de bestemming "Recreatie -Jachthaven" aan de percelen [locatie 6] en 26 in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid nu in het Koninklijk besluit van 13 september 1984 is geoordeeld dat uitbreiding van de jachthavencapaciteit hiermee in strijd is overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat sinds het bedoelde besluit veel voorzieningen in het gebied zijn getroffen waardoor de situatie niet meer vergelijkbaar is met de situatie ten tijde van het Koninklijk besluit. Niet gebleken is dat dit standpunt van de raad onjuist is.

Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 3] dat de raad bij het vaststelling van het plan rekening had moeten houden met de nota, overweegt de Afdeling het volgende. Anders dan [appellanten sub 3] menen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet zonder meer gehouden het rijksbeleid, waartoe de nota moet worden gerekend, te volgen maar diende de raad het in de afweging mee te wegen als een bij het plan betrokken belang. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat gelet op het intensief recreatief gebruik van het plangebied met bijbehorende bebouwingsgraad uitvoering van de in de nota opgenomen visie niet mogelijk is. Op grond hiervan bestaat er, anders dan [appellanten sub 3] betogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan geen rekening heeft gehouden met de nota.

2.4.4. Met betrekking tot de gestelde overlast en het verlies aan privacy en uitzicht neemt de Afdeling in aanmerking dat de woning van [appellanten sub 3] gelegen is in een omgeving die is ingericht voor recreatie. Verder neemt zij in aanmerking dat de jachthaven reeds aanwezig was op het moment dat [appellanten sub 3] hun perceel kochten en gingen bewonen. Voorts is niet gebleken dat de door [appellanten sub 3] gestelde geluidsoverlast en het verlies aan uitzicht tot onaanvaardbare overlast zullen leiden. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan deze bezwaren geen overwegende betekenis hoeven toekennen.

2.4.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Het feit dat het gemeentebestuur eerder een handhavingsprocedure is gestart om het met het vorige bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie 7] als jachthaven te beëindigen maakt op zichzelf niet dat de raad nu niet in redelijkheid de bestemming "Recreatie - Jachthaven" aan het perceel heeft kunnen toekennen.

2.4.6. De Afdeling is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de toename van ligplaatsen op de percelen [locatie 6] en 26 tot onaanvaardbare parkeerproblemen en problemen met betrekking tot de bereikbaarheid van hulpdiensten zal leiden. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de op de percelen gevestigde jachthaven al geruime tijd op deze locatie gevestigd is en verder dat het plan slechts een geringe uitbreiding van het aantal ligplaatsen mogelijk maakt.

2.4.7. Voor zover [appellanten sub 3] betogen dat de raad onvoldoende onderzocht heeft wat de gevolgen van het plan voor de natuur zullen zijn overweegt de Afdeling het volgde. Blijkens de plantoelichting is met het rapport 'Quickscan flora en fauna ontwerpbestemmingsplan Scheendijk-noord' van het bureau B&D natuuradvies van september 2008 onderzocht wat de gevolgen van het plan op de natuurwaarden in het plangebied zullen zijn. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek zodanige onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop bij het vaststellen van het plan niet heeft mogen baseren. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van het plan voor de natuurwaarden in het plangebied.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het plan onaanvaardbare gevolgen zal kunnen hebben voor de natuur nu uit het genoemde onderzoek blijkt dat het plan overwegend een conserverend karakter heeft en dat voor kleinschalige ingrepen een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet verleend zal kunnen worden.

2.4.8. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toekennen van de bestemming "Recreatie -Jachthaven" aan het perceel [locatie 8]. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de hiervoor weergegeven redenen waarom de raad vestiging van een jachthaven op het perceel van [appellanten sub 3] ruimtelijk niet wenselijk acht, niet ondeugdelijk zijn gebleken. Voorts neemt zij in aanmerking dat niet gebleken is dat [appellanten sub 3] concrete plannen hebben voor de oprichting van een jachthaven waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Overigens is met de toekenning van de aanduiding 'recreatiewoning' de op het perceel aanwezige recreatiewoning positief bestemd.

2.4.9. Ten aanzien van de door Hansman en Van de Veen gemaakte vergelijking met de percelen [locatie 6] en [locatie 7] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat deze percelen, anders dan het perceel van [appellanten sub 3], reeds jaren in gebruik zijn als jachthaven. Tevens stelt de raad zich op het standpunt dat de jachthaven op het perceel [locatie 6] onderdeel uitmaakt van de jachthaven op het perceel [locatie 7], welke, anders dan het perceel van [appellanten sub 3], grenst aan de weg. Hierdoor wordt voldaan aan het beleid van het gemeentebestuur. Deze door de raad gestelde feiten zijn de Afdeling niet onjuist gebleken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.4.10. Voor zover [appellanten sub 3] betogen dat door de aan de percelen [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] toegekende bestemmingen hun perceel in waarde zal dalen, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering, wat hiervan verder ook zij, zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de toekenning van de bestemmingen aan de genoemde percelen aan de orde zijn.

2.4.11. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden onderdelen van het plan strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Proceskosten

2.5.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

59-674.