Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1839

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
201101604/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Dinxperlo 2007, Kalverweidendijk 11" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101604/2/R2.

Datum uitspraak: 12 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Aalten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Dinxperlo 2007, Kalverweidendijk 11" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2011, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 maart 2011, waar [verzoeker] en anderen, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij milieuadviesbureau Het Groene Schild, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek van [verzoeker] en anderen is gericht op schorsing van het gehele plan, omdat dit voorziet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe stallen.

2.3. Op 9 maart 2011 is bij de Afdeling een brief binnengekomen van de eigenaar van het desbetreffende agrarische bedrijf aan de Kalverweidendijk, waarin wordt verklaard dat geen bouwvergunning is aangevraagd en dat ook niet begonnen zal worden met de werkzaamheden voordat het onderhavige plan onherroepelijk is. Dit is naar het oordeel van de voorzitter echter niet voldoende. Nu geen uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden aangevraagd totdat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de bodemprocedure, is het spoedeisende belang bij het onderhavige verzoek gegeven omdat het indienen van de aanvraag kan leiden tot een juridisch onomkeerbare situatie.

2.4. Het plan voorziet uitsluitend in een verandering en vergroting van het bouwvlak op de verbeelding voor het agrarische bedrijf dat is gevestigd aan de Kalverweidendijk nr. 11 in De Heurne. De aanleiding voor het plan is dat het bedrijf thans nog op 3 verschillende locaties is gevestigd en het bedrijf een van de locaties wil sluiten en die activiteiten in de toekomst wil verplaatsten naar het perceel aan de Kalverweidendijk. Hiertoe zal op dit perceel onder andere een grote nieuwe varkensstal worden gebouwd.

2.5. [verzoeker] en anderen voeren aan dat in het milieueffectrapport (hierna: het MER) dat is gemaakt voor dit plan ten onrechte is uitgegaan van de aantallen dieren die zijn vermeld in de verleende milieuvergunning aan het bedrijf en dat de MER onvoldoende rekening houdt met de maximale bouwmogelijkheden die het plan biedt, zoals een varkensstal met meerdere bouwlagen.

2.5.1. Dat het voorliggende plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is op grond van categorie 14 van onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit MER lijkt niet in geschil te zijn. De voorzitter overweegt dat bij de beoordeling van een m.e.r.-plicht dient te worden uitgegaan van hetgeen het plan mogelijk maakt. Ten behoeve van het plan is in opdracht van de eigenaar van de veehouderij in november 2009 een MER opgesteld door Van Westreenen. In het gemaakte MER wordt onder andere een vergelijking gemaakt tussen de huidige veebezetting zoals die in 2003 is vergund en de veebezetting na uitbreiding zoals die in 2010 is vergund ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, welke vergunning nog niet onherroepelijk is.

2.5.2. Vooralsnog is de voorzitter van oordeel dat het gemaakte MER voornamelijk lijkt te zijn gebaseerd op de toekomstige bedrijfssituatie met de aantallen dieren zoals die in 2010 zijn vergund en niet zozeer op de maximale bouwmogelijkheden waarin het plan voorziet. Het MER lijkt dan ook onvoldoende inzicht te geven in de vraag of de beoogde toekomstige bedrijfssituatie - zoals die recent is vergund - representatief moet worden geacht voor de planologische mogelijkheden die het plan biedt.

Gelet op de inhoud van het gemaakte MER betwijfelt de voorzitter derhalve of bij de beoordeling van de milieueffecten van de maximale planologische mogelijkheden is uitgegaan en of het MER aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag kon worden gelegd.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding om het gehele plan te schorsen. Hetgeen [verzoeker] en anderen voor het overige hebben aangevoerd tegen het plan, behoeft hierdoor geen nadere bespreking.

2.7. De raad dient ten aanzien van [verzoeker] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 14 december 2010, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Dinxperlo 2007, Kalverweidendijk 11" is vastgesteld;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Aalten tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 925,85 (zegge: negenhonderdvijfentwintig euro en vijfentachtig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de raad van de gemeente Aalten aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011

571.