Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201009295/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij aan de [locatie] te Bennekom, gemeente Ede. Dit besluit is op 26 augustus 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009295/1/M2.

Datum uitspraak: 13 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Bont voor Dieren, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij aan de [locatie] te Bennekom, gemeente Ede. Dit besluit is op 26 augustus 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Bont voor Dieren bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2011, waar Bont voor Dieren, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college vertegenwoordigd door ing. G.H. Landeweerd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ing. B.H. Wopereis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd

2.2. Bij besluit van 10 juni 2008 is eerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning verleend voor een veehouderij aan de [locatie]. Bij uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2009, in zaak nr. 200805857/1/M2 is dit besluit vernietigd. Het besluit is onder meer vernietigd, omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt of de waarden van het referentieniveau, waar het college van is uitgegaan, juist zijn. In de uitspraak is - kort samengevat- overwogen dat het college gelet hierop in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gestelde geluidgrenswaarden in de vergunning het referentieniveau niet overschrijden.

Bij het thans bestreden besluit heeft het college opnieuw beslist op de aanvraag die ten grondslag lag aan het vernietigde besluit van 10 juni 2008 en wederom een revisievergunning verleend. De vergunning is verleend voor het houden van vleeskalveren, nertsen, blauwvossen en pony's.

2.3. Ter zitting heeft [vergunninghouder] met het oog op de belanghebbendheid van Bont voor Dieren de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde gesteld. Volgens [vergunninghouder] is Bont voor Dieren geen belanghebbende, aangezien het beroepschrift is beperkt tot het aspect geluidhinder en Bont voor Dieren zelf geen geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting kan ondervinden.

2.3.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.2. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

In de uitspraak van de Afdeling van 31 december 2008 in zaak nr. 200800969/1 is Bont voor Dieren op grond van haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb aangemerkt bij een besluit tot verlening van een vergunning voor onder meer het houden van pelsdieren. In dit geval is eveneens een vergunning verleend voor onder meer het houden van pelsdieren. Onder verwijzing naar die uitspraak is de Afdeling van oordeel dat Bont voor Dieren ook bij het thans bestreden besluit belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Bovendien is Bont voor Dieren ook in de in rechtsoverweging 2.2 genoemde uitspraak met betrekking tot de eerder aan [vergunninghouder] verleende vergunning als belanghebbende aangemerkt. Of Bont voor Dieren geluidhinder kan ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting, is anders dan [vergunninghouder] aanvoert, niet relevant. Bij de vraag naar de belanghebbendheid speelt de aard van de aangevoerde gronden geen rol. Hetgeen [vergunninghouder] heeft aangevoerd dat Bont voor Dieren geen belanghebbende is, kan dan ook niet worden gevolgd.

2.4. Bont voor Dieren betoogt dat de in vergunningvoorschrift 89 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet naleefbaar zijn. Daartoe voert zij aan dat het college bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder ten onrechte is uitgegaan van een stiller type ventilatoren dan [vergunninghouder] heeft aangevraagd. Daarnaast voert zij aan dat uit tabel 4.1 van het door Van Westreenen opgestelde akoestisch rapport van 13 maart 2008 (hierna: akoestisch rapport 2008) blijkt dat ook bij het toepassen van een stiller type ventilatoren de gestelde geluidgrenswaarden worden overschreden. Volgens Bont voor Dieren is er niets veranderd ten opzichte van de voorschriften in het door de Afdeling vernietigde besluit van 10 juni 2008. Een maximaal bronvermogen van 97 dB(A) per stalsectie, zoals voorgeschreven in vergunningvoorschrift 96, komt volgens Bont voor Dieren overeen met een maximaal bronvermogen van 94 dB(A) per ventilator, zoals dat in het vernietigde besluit van 10 juni 2008 was voorgeschreven. Verder heeft Bont voor Dieren ter zitting aangevoerd dat in bijlage 3 van het akoestisch rapport 2008 ten onrechte niet is vermeld wat de geluidbijdrage per bron is op de gevel van een woning, waardoor niet inzichtelijk is hoe de resultaten in tabel 4.1 van het akoestisch rapport 2008 zijn berekend. Voorts wijst Bont voor Dieren erop dat uit de tabellen 4.1a en 4.1b van het akoestisch rapport van 9 maart 2009 (hierna: akoestisch rapport 2009) eveneens blijkt dat niet voldaan kan worden aan een etmaalwaarde van 40 dB(A).

2.4.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 89 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, op de gevel van de woningen van derden of andere geluidsgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan:

a. 40 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren tussen 07.00-19.00 uur;

b. 35 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de uren tussen 19.00-23.00 uur;

c. 30 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de uren tussen 23.00-07.00 uur.

Ingevolge vergunningvoorschrift 96 mag het maximale bronvermogen voor elke stalsectie in de nertsenhal (hal C) niet hoger zijn dan 97 dB(A) per stalsectie bij een benodigde ventilatiecapaciteit van 30.000 m3/h (vollast).

2.4.2. Voor de beoordeling van de te verwachten geluidbelasting op de gevels van de omliggende woningen heeft het college zich onder meer gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport 2008. Paragraaf 3.2.3 van het akoestisch rapport 2008 vermeldt dat het toepassen van ventilatoren met een bronvermogen van 99 dB(A) leidt tot een grotere geluidbelasting dan 45 dB(A). Daarom is onderzocht of met toepassing van de beste beschikbare technieken (hierna: BBT) de geluidbelasting gereduceerd kan worden. Er zijn in het akoestisch rapport 2008 twee BBT-maatregelen onderzocht, te weten het toepassen van een afscherming en het toepassen van een stiller type ventilatoren met een vermogen van 94 dB(A) per ventilator.

Tabel 4.1 van het akoestisch rapport 2008 bevat het resultaat van de berekende geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting. In de tekst bij de tabel is vermeld dat de geluidbelasting is berekend met toepassing van de BBT-maatregelen. Ter zitting heeft [vergunninghouder] naar voren gebracht dat bedoeld is dat de resultaten alleen zijn gebaseerd op de toepassing van een afscherming. Daarbij heeft [vergunninghouder] gewezen op de invoergegevens van het rekenmodel, zoals vermeld in bijlage 2. Uit invoer S1 van bijlage 2 blijkt, volgens [vergunninghouder], dat is gerekend met de toepassing van een afscherming als BBT-maatregel. Verder blijkt uit bijlage 2 dat is gerekend met ventilatoren met een bronvermogen van 99,4 dB(A). Er is geen grond voor het oordeel dat hetgeen [vergunninghouder] naar voren heeft gebracht over het akoestisch rapport 2008 onjuist is. Dat in het akoestisch rapport 2008, zoals Bont voor Dieren aanvoert, geen specifieke gegevens zijn opgenomen over de geluidbijdrage per bron op de gevel van de woningen, is onvoldoende om te oordelen dat het college zich bij de beoordeling van het geluidaspect niet op het akoestisch rapport 2008 mocht baseren.

2.4.3. In het akoestisch rapport 2008 is geconcludeerd dat kan worden voldaan aan richtwaarden van 45, 40 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in vergunningvoorschrift 89 gestelde grenswaarden zijn echter strenger. Het college heeft daarom in vergunningvoorschrift 96 voorgeschreven dat het maximaal bronvermogen per stalsectie niet hoger mag zijn dan 97 dB(A), zodat ook een stiller type ventilator toegepast moet worden. Ter zitting is onweersproken naar voren gebracht dat zowel het toepassen van een afscherming als het toepassen van een stiller type ventilator een geluidreductie van 5 dB(A) oplevert en dat met het toepassen van beide maatregelen voldaan kan worden aan een etmaalwaarde van 40 dB(A).

Voor zover Bont voor Dieren in het kader van de naleefbaarheid heeft gewezen op de resultaten in het akoestisch rapport 2009 overweegt de Afdeling dat dit rapport in het kader van de eerdere procedure is opgesteld om te bepalen of aan de woning Krommesteeg 39 aan een grenswaarde van 43 dB(A) etmaalwaarde kan worden voldaan. In het rapport zijn alleen de grenswaarden gewijzigd en is gerekend met een lager bronvermogen per ventilator. De overige uitgangspunten zijn niet gewijzigd ten opzichte van het akoestisch rapport 2008.

De Afdeling ziet in hetgeen Bont voor Dieren heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.4. Voor zover Bont voor Dieren ter zitting heeft betoogd dat onvoldoende is gewaarborgd dat naast het toepassen van een stiller type ventilator ook een afscherming zal worden toegepast, overweegt de Afdeling als volgt. Het aan de vergunning verbonden voorschrift 89, waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, is een zogenoemd doelvoorschrift als bedoeld in artikel 8.12 van de Wet milieubeheer. Het voorschrift bepaalt welk geluidniveau mag optreden als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Het is aan de drijver van de inrichting ervoor te zorgen dat de voorzieningen en installaties en de bedrijfsvoering zodanig zijn dat aan het doelvoorschrift wordt voldaan. Aanvullend kunnen ingevolge artikel 8.12a, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, zogenoemde middelvoorschriften worden gesteld voor bijvoorbeeld de te treffen technische maatregelen ter beperking van geluidhinder.

Volgens het college is het in dit geval niet noodzakelijk om naast het toepassen van een stiller type ventilator ook voor te schrijven dat een afscherming geplaatst wordt. Dit volgt, volgens het college, reeds uit het akoestisch rapport 2008.

Gegeven de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden en de omstandigheid dat de noodzaak van het toepassen van een afscherming reeds voortvloeit uit het akoestisch rapport 2008, dat deel uitmaakt van de vergunning, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet noodzakelijk is om het toepassen van een afscherming als middelvoorschrift in de vergunning op te nemen.

De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.5. Bont voor Dieren betoogt dat de in vergunningvoorschrift 90 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximaal geluidniveau in de nachtperiode niet naleefbaar zijn. Zij wijst erop dat uit tabel 4.2 van het akoestisch rapport 2008 blijkt dat de geluidbelasting op de woningen aan de Krommesteeg 36 en 38 in de nachtperiode hoger is dan 60 dB(A). Voorts voert Bont voor Dieren aan dat vergunningvoorschrift 93 niet nodig is, aangezien uit het akoestisch rapport 2008 blijkt dat de afvoer van vleeskalveren niet tot overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau leidt.

2.5.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 90 mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, op de gevel van woningen van derden of andere geluidsgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan:

a. 70 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00-19.00 uur;

b. 65 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00-23.00 uur;

c. 60 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00-07.00 uur.

Ingevolge vergunningvoorschrift 93 wordt de afvoer van vleeskalveren tweemaal per jaar in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) uitgezonderd van het gestelde in voorschrift 89.

2.5.2. Het college brengt naar voren dat in het akoestisch rapport 2008 is vermeld dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het maximaal geluidniveau alleen worden overschreden wanneer de kalveren in de nachtperiode worden afgevoerd. Volgens het college is abusievelijk in voorschrift 93 opgenomen dat de afvoer van kalveren moet worden uitgezonderd van het gestelde in voorschrift 89, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Dit had volgens het college voorschrift 90, het maximaal geluidniveau, moeten zijn. Het college verzoekt de Afdeling het voorschrift zelf voorziend aan te passen door in voorschrift 93 te verwijzen naar voorschrift 90 in plaats van voorschrift 89.

2.5.3. Bont voor Dieren betwist niet dat de gestelde geluidgrenswaarden in de nachtperiode voor het maximaal geluidniveau alleen worden overschreden bij de afvoer van kalveren. Nu het college heeft erkend dat abusievelijk in de vergunning deze activiteit is uitgezonderd van de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Voorts overweegt de Afdeling dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de afvoer van vleeskalveren twee maal per jaar in de nachtperiode toe te staan. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorziend het betrokken voorschrift aan te passen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 17 augustus 2010 dient wegens strijd met 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het voorschrift 93 betreft. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ten aanzien van voorschrift 93 zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 17 augustus 2010, kenmerk WM/2006-188, voor zover het betreft voorschrift 93;

III. bepaalt dat voorschrift 93 van de vergunning van 17 augustus 2010 als volgt komt te luiden:

De afvoer van vleeskalveren wordt tweemaal per jaar in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) uitgezonderd van het gestelde in voorschrift 90;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 17 augustus 2010;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bont voor Dieren in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ede aan de stichting Stichting Bont voor Dieren het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2011

375-590.