Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201007880/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het college van gedeputeerde staten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heensehoeve B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van vleesvarkens alsmede het op- en overslaan van afvalstoffen, gelegen aan de Heensedijk 16b te De Heen.

Dit besluit is op 5 juli 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007880/1/M2.

Datum uitspraak: 13 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

2. de stichting "Stichting Leefbaarheid De Heen", gevestigd te De Heen, gemeente Steenbergen, en [appellant sub 2 A], wonende te De Heen, gemeente Steenbergen,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het college van gedeputeerde staten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heensehoeve B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van vleesvarkens alsmede het op- en overslaan van afvalstoffen, gelegen aan de Heensedijk 16b te De Heen.

Dit besluit is op 5 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2010, en de Stichting en [appellant sub 2 A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2010, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C. Franken, de Stichting en [appellant sub 2 A], vertegenwoordigd door C.A.M. Scheppers, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom en ing. F.H.M. van Dinther, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Heensehoeve B.V., vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Beroepsgrond ingetrokken

2.2. Het college van burgemeester en wethouders heeft ter zitting de beroepsgrond over het verspreidingsmodel dat gebruikt is om de geurbelasting te berekenen, ingetrokken.

Publicatie bestreden besluit

2.3. De Stichting en [appellant sub 2 A] voeren aan dat het bestreden besluit ten onrechte niet is gepubliceerd in een regionaal dagblad.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het nemen van het bestreden besluit, waardoor deze reeds om die reden de rechtmatigheid van dit besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

Strijd met het bestemmingsplan

2.4. Het college van burgemeester en wethouders en de Stichting en [appellant sub 2 A] betogen dat het college van gedeputeerde staten de milieuvergunning had moeten weigeren wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Steenbergen. Zij voeren onder meer aan - samengevat weergegeven - dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende rekening heeft gehouden met het beleidsuitgangspunt van de gemeente Steenbergen dat vestiging van intensieve veehouderijen ter plaatse wordt uitgesloten en dat uitbreiding van dergelijke bedrijven zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan de vergunning in afwijking van het eerste lid tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.4.2. Bij besluit van 25 februari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders een bouwvergunning verleend voor stallen voor het houden van vleesvarkens op het perceel van de inrichting. Onbetwist is dat deze stallen op het moment van het nemen van het bestreden besluit tot verlening van de milieuvergunning waren gerealiseerd.

Het college van gedeputeerde staten heeft de gevraagde milieuvergunning niet willen weigeren omdat de milieuvergunning ziet op het gebruik van de reeds gerealiseerde stallen voor het - overeenkomstig het bij de onherroepelijke bouwvergunning uit 1999 voorziene gebruik - houden van vleesvarkens. De omstandigheid dat de stallen ingevolge de milieuvergunning nog moeten worden uitgerust met luchtwassers - en de omstandigheid dat niet zeker is dat het college van burgemeester en wethouders voor de daarmee verband houdende bouwkundige aanpassingen al dan niet een bouwvergunning verleent - heeft het college van gedeputeerde staten niet van doorslaggevende betekenis geacht.

Gegeven artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, op grond waarvan in de gevallen waarop het betrekking heeft geen plicht maar een bevoegdheid bestaat om de gevraagde milieuvergunning te weigeren, is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het college van gedeputeerde staten er onder de hiervoor besproken omstandigheden bij de afweging van belangen in redelijkheid niet van heeft kunnen afzien de gevraagde milieuvergunning te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Locatie van de inrichting

2.5. Het college van burgemeester en wethouders en de Stichting en [appellant sub 2 A] voeren aan dat de inrichting ongewenst is op de desbetreffende locatie, onder meer vanwege de gevolgen voor de verkeersveiligheid.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat het college van gedeputeerde staten is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt geen rol.

De beroepsgrond faalt reeds hierom.

Natuurbeschermingswet 1998

2.6. De Stichting en [appellant sub 2 A] voeren aan - samengevat weergegeven - dat onvoldoende inzicht bestaat in de gevolgen van de ammoniakemissie van de inrichting voor het natuurgebied Dintelze Gorzen.

2.6.1. Het gebied Dintelze Gorzen behoort tot het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak. De gevolgen voor Natura 2000-gebieden worden vanaf 1 februari 2009 uitsluitend beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. De bezwaren met betrekking tot de effecten op dit gebied zijn daarom slechts aan de orde in het kader van de beoordeling van de vraag of een vergunning ingevolge die wet is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden.

De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden

2.7. De Stichting en [appellant sub 2 A] hebben zich in het beroepschrift wat de beroepsgronden over gezondheidsrisico's en de gehanteerde geuremissiefactor betreft, beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten zijn reactie daarop gegeven. De Stichting en [appellant sub 2 A] hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de reactie van het college van gedeputeerde staten op de zienswijzen onjuist is. Het beroep van de Stichting en [appellant sub 2 A] kan in zoverre niet slagen.

De beroepsgronden falen.

Slotoverwegingen

2.8. De beroepen zijn ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011

431-684.