Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
200909261/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Laarveld 2009" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 2
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet geurhinder en veehouderij 6
Wet geurhinder en veehouderij 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/104 met annotatie van E.J. van Baardewijk en M. Fokkema
TBR 2011/106 met annotatie van J.B. Mus
JOM 2011/420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909261/1/R3.

Datum uitspraak: 13 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Laarveld 2009" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door M. Jans, J.H.L. Ploumen en ing. M.W. Arts, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

HET BESTEMMINGSPLAN

Algemeen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 290 woningen in het westelijk deel van het plangebied en in een nader uit te werken bestemming "Wonen-uit te werken" voor het oostelijk deel van het plangebied. Op grond van de uitwerkingsregels van het plan kunnen na uitwerking maximaal 620 woningen in het oostelijk deel worden gebouwd.

Het plangebied is gelegen in een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv).

Geur

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat bij het plan onvoldoende rekening is gehouden met hun bedrijf, een buiten het plangebied gelegen veehouderij omdat een onjuiste, te lage geurnorm is aangehouden. Zij voeren aan dat in artikel 2, tweede lid, van de op basis van artikel 6, eerste lid, van de Wgv vastgestelde gemeentelijke verordening (hierna: de verordening) ten onrechte exclusieve werking is toegekend aan die verordening. Volgens hen is de vastgestelde geurverordening verder onverbindend wegens strijd met artikel 8 van de Wgv, omdat deze verordening slechts is vastgesteld om woningbouw mogelijk te maken. Ten onrechte is voor het plangebied een andere geurnorm vastgesteld dan voor het bestaande woongebied in dezelfde kern. Van een geïntegreerde aanpak van ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege veehouderijen in het gebied zijn betrokken, is volgens hen geen sprake geweest.

2.2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake vergunningverlening voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgv dient een vergunning voor een veehouderij te worden geweigerd indien de geurbelasting voor een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied en binnen de bebouwde kom, meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht bedraagt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wgv betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, in elk geval:

a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied;

b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en

c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8, betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde of afstand tevens de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied of de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder.

2.2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening wordt als gebied als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wgv aangewezen het gehele grondgebied van de gemeente Weert.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de verordening betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing betreffende de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven, voor de daartoe aangewezen gebieden, uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens artikel 3 en artikel 4 van de verordening.

In artikel 3 van de verordening heeft de gemeenteraad de toegestane geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in toekomstig woongebied, zoals het plangebied, vastgesteld op 8 odour units per kubieke meter lucht.

2.2.3. Aan een algemeen verbindend voorschrift, als neergelegd in de geurverordening, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag - in dit geval de raad - om alle verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit zoals de geurverordening betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2005 in zaak nr. 200410466/1).

2.2.4. Het bepaalde in artikel 2 van de verordening vloeit, voor zover thans van belang, voort uit artikel 2 van de Wgv en is niet in strijd met dit artikel of een ander hoger wettelijk voorschrift. Verder blijft de vastgestelde waarde voor het plangebied binnen de bandbreedte van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wgv. De raad heeft, blijkens de Gebiedsvisie van de gemeente Weert van 6 december 2007 (hierna: de Gebiedsvisie), bij het bepalen van deze geurnorm de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied betrokken, alsmede het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging en de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu. De raad heeft hierbij de gewenste ruimtelijke inrichting van een toekomstig woongebied als het plangebied in aanmerking genomen. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening in strijd is te achten met de Wgv, dan wel met een algemeen rechtsbeginsel.

2.3. [appellant] en anderen betogen voorts dat de raad er bij de vaststelling van het plan ten onrechte van is uitgegaan dat bij een maximaal toegestane geurbelasting van 8 odour units per kubieke meter lucht een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor de bewoners van de voorziene woningen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat bij de gebiedsvisie niet de voorgrondbelasting is betrokken. Bij een voorgrondbelasting van 8 odour units per kubieke meter lucht is volgens de Handreiking bij de Wgv sprake van een percentage van 17 aan geurgehinderden en daarmee van een matig woon- en leefklimaat.

2.3.1. De raad heeft zich bij het bestreden besluit uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat in het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij heeft hij acht geslagen op bijlagen 6 en 7 van de Handreiking bij Wet Geurhinder en veehouderij, waarin wordt ingegaan op de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Bij de waardering van de geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht gaat de Gebiedsvisie uit van de achtergrondbelasting. Volgens tabel 3.1 op pag. 13 van de Gebiedsvisie is bij een geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht sprake van een geurhinderpercentage van 5 tot 10, hetgeen als goed wordt gekwalificeerd. Voor de mate van ervaren geurhinder is echter, zoals de Handreiking ook aangeeft, de voorgrondbelasting mede bepalend. De Afdeling stelt vast dat indien de geurhinder zou zijn bepaald op basis van een voorgrondbelasting van 8 odour units per kubieke meter lucht op grond van tabel B van de bijlage 6 sprake is van een geurhinderpercentage van 17. Een dergelijk percentage geurgehinderden betekent volgens die bijlage een matig woon- en leefklimaat. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

2.4. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening nu artikel 6.2, onder e, van de planvoorschriften de beoordeling van de geurhinder doorschuift naar de vaststelling van het uitwerkingsplan. In dit verband hebben zij er op gewezen dat er sprake is van een uitwerkingsplicht van het plan.

2.4.1. Ingevolge artikel 6.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Wonen- uit te werken (Wu)" aangeduide gronden onder meer bestemd voor wonen, verkeer en verblijf en groenvoorzieningen.

Ingevolge artikel 6.2, aanhef en onder e, van de voorschriften, voor zover hier van belang, richten burgemeester en wethouders het uitwerkingsplan zodanig in dat er geen bouwlocaties worden geprojecteerd binnen de individuele milieucirkels van bedrijven of die van schutterij St. Sebastianus.

2.4.2. Zoals [appellant] en anderen in dit verband ook hebben betoogd, brengt een goede ruimtelijke ordening met zich dat de raad zich er bij de vaststelling van een plan van dient te vergewissen dat de plandelen met een uit te werken bestemming op een zodanige manier kunnen worden verwezenlijkt dat ter plaatse geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. De uitwerkingsregels verbieden dat, zolang het bedrijf van [appellant] en anderen beschikt over een stankcirkel, binnen die cirkel in woningbouw wordt voorzien. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat de stankcirkel van het bedrijf van [appellant] en anderen niet het gehele uit te werken gebied omvat. Nu de uitwerkingsregels geen minimum stellen aan het aantal te bouwen woningen, is in ieder geval een uitwerking overeenkomstig de uitwerkingsregels mogelijk.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de contouren ten gevolge van Hinderwet- en milieuvergunningen voor veehouderijen in en nabij het plangebied waarop thans het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) van toepassing is. Bovendien is er geen rekening gehouden met de cumulatieve effecten van de aanwezige milieucirkels.

2.5.1. De raad voert aan dat onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van bedrijven die nu onder het Activiteitenbesluit vallen en dat dergelijke bedrijven niet zijn aangetroffen. Daarbij heeft de raad verwezen naar de bij het ter zake uitgevoerde onderzoek gevoegde lijst van stallen en groepen van stallen. Wel zijn, aldus de raad, een viertal bedrijven niet in dit onderzoek betrokken. Drie van die bedrijven vallen niet onder het Activiteitenbesluit omdat hun vergunning is ingetrokken; voor één bedrijf geldt dat dit bedrijf in verband met de realisering van het plan geheel wordt aangekocht.

2.5.2. Tegenover de uitvoerige uiteenzetting van de raad ten aanzien van het geen rekening gehouden hebben met bedrijven als door [appellant] en anderen bedoeld, hebben [appellant] en anderen geen gegevens aangedragen op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van het standpunt van de raad dat er in het plangebied geen andere milieucirkels dan die van [appellant] en anderen in de weg zullen staan aan de algehele uitwerking van het plan. Gelet hierop hoefde de raad geen rekening te houden met een cumulatie van milieucirkels.

Het betoog faalt.

VNG-brochure

2.6. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat de raad ten aanzien van andere bedrijven dan veehouderijen de milieu-effecten ten onrechte in beeld heeft gebracht gebruikmakende van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering (hierna: de brochure), nu de brochure ziet op nieuwe situaties en hier sprake is van bestaande bedrijven en de raad rekening had moeten houden met de bestaande milieurechten van die bedrijven, treft dit betoog geen doel. [appellant] en anderen onderkennen niet dat het plan voorziet in de bouw van, onder meer, nieuwe woningen en dat daarmee sprake is van een nieuwe situatie.

Het betoog faalt.

Natuurbeschermingswet 1998

2.7. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat het plan effecten kan hebben op de op voet van de Natuurbeschermingswet 1998 te beschermen gebieden overweegt de Afdeling dat zij geen gegevens hebben aangedragen die twijfel oproepen ten aanzien van het standpunt van de raad dat elk effect uitgesloten kan worden geacht gezien de afstand tot dergelijke gebieden van meer dan 2 kilometer, het ontbreken van een ecologische relatie met het plangebied en het gegeven dat het plan uitsluitend woningbouw mogelijk maakt.

Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

2.8. [appellant] en anderen betogen dat het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte is getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. In plaats daarvan had het college volgens hen een beoordeling moeten verrichten binnen het toetsingskader van titel 5.2 van de Wet milieubeheer.

2.8.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Uit het overgangsrecht van de Wet van 11 oktober 2007 volgt dat deze wet van toepassing is op het bestreden besluit omdat dit is genomen na de inwerkingtreding van deze wet.

Aangezien in het bestreden besluit het Besluit luchtkwaliteit 2005 als toetsingskader is gehanteerd, is het besluit in strijd met titel 5.2 van de Wet milieubeheer.

Het betoog slaagt.

Slotconclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

2.9. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot vaststelling van het plan, is gegrond. Dit besluit dient, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 en 2.3.1 is overwogen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en gelet op hetgeen is overwogen onder 2.8 en 2.8.1 wegens strijd met titel 5.2 van de Wet milieubeheer te worden vernietigd.

2.9.1. De Afdeling ziet aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van evenbedoeld besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het hier gaat om een te realiseren uitleggebied op de rand van het stedelijke gebied waar kopers van woningen een bewuste keuze maken en weten wat zij van hun leefomgeving kunnen verwachten. In verband hiermee acht de raad, ook indien wordt uitgegaan van laatstbedoeld percentage geurgehinderden, het toekomstig woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar.

In aanmerking genomen hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gegeven de hem toekomende beoordelingsruimte, hiermee niet voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden gerealiseerd.

Verder is niet in geschil dat na de vaststelling van het plan het rapport van 6 april 2010 "onderzoek geurhinder+ luchtkwaliteit Laarderweg 70" is opgesteld, waarin onder meer is geconcludeerd dat in het plan geen kans bestaat op overschrijdingen van de normeringen als aan te houden in het ter zake aan te houden wettelijke kader.

De Afdeling ziet in het vorenstaande aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van evenbedoeld bestemmingsplan in stand blijven.

HET EXPLOITATIEPLAN

Ontvankelijkheid

2.10. De raad betoogt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In dit verband wijst de raad er op dat [appellant] en anderen weliswaar ten tijde van het bestreden besluit eigenaren waren van gronden in het plangebied, maar dat hun beroep ziet op hun stelling dat de kosten van de sanering van de geurcontour te laag zijn geraamd. Voor eigenaren van gronden binnen het plangebied bestaat, zo stelt de raad, uit dien hoofde geen belang bij een hogere raming van die saneringskosten. Voorts voert de raad aan dat [appellant] en anderen als eigenaren van gronden buiten het plangebied er geen belang bij hebben dat de kosten van verplaatsing van het bedrijf worden meegenomen in het exploitatieplan. Ook de aanwezigheid van een geurcontour in het exploitatiegebied, veroorzaakt door hun buiten het plangebied gelegen bedrijf, brengt niet met zich dat zij belanghebbenden zijn bij het exploitatieplan.

2.10.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, van evengenoemd artikel, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, van de Wro in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

2.10.2. Vast staat dat [appellant] en anderen ten tijde van het bestreden besluit eigenaar waren van gronden in het plangebied. Reeds gelet hierop dienen [appellant] en anderen te worden aangemerkt als belanghebbenden bij het exploitatieplan. Voorts is, anders dat de raad heeft gesteld, het procesbelang van [appellant] niet komen te vervallen.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk algemeen

2.11. De exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wro is een rekenkundig model, op basis waarvan de geraamde en daadwerkelijk gemaakte kosten naar rato van de te verwachten opbrengsten worden omgeslagen door het overeenkomstig artikel 6.17 van de Wro, opleggen van een verplichte exploitatiebijdrage bij de omgevingsvergunning voor bouwen, welke bijdrage in overeenstemming met de artikelen 6.18 en 6.19 van de Wro wordt bepaald. De kosten en opbrengsten die in de exploitatieopzet zijn opgenomen, zeker waar het de vaststelling van een exploitatieplan betreft, kunnen ramingen zijn en wijken in dat geval mogelijk af van de daadwerkelijk te realiseren kosten en opbrengsten. De ramingen kunnen daarna worden uitgewerkt, gedetailleerd, aangepast of worden vervangen bij een herziening van het exploitatieplan. Niettemin dienen de kosten en opbrengsten met de vereiste zorgvuldigheid te worden geraamd. Daartoe is van belang dat de exploitatiebijdrage die bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen verschuldigd is, in eerste instantie veelal wordt bepaald op basis van een exploitatieplan waarin ramingen van de kosten en opbrengsten zijn opgenomen, terwijl slechts onder de voorwaarden van artikel 6.20 van de Wro aanspraak bestaat op terugbetaling van hetgeen mogelijk te veel is betaald. Voorts dienen de ramingen van de kosten en opbrengsten te voldoen aan de eisen die de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) daaraan stellen.

Inbrengwaarden

2.12. [appellant] en anderen voeren aan dat de inbrengwaarden zijn vastgesteld in strijd met artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro. In dit verband voeren zij aan dat de inbrengwaarde van de in het plan gelegen gronden ten onrechte niet is gebaseerd op volledige schadeloosstelling.

2.12.1. De raad voert aan dat de gronden niet zijn onteigend en dat geen onteigeningsbesluit is genomen, zodat de grondslag van de inbrengwaarden niet mag worden gebaseerd op volledige schadeloosstelling. In dit verband voert de raad aan dat hij er vooralsnog van uitgaat dat de gronden minnelijk worden verworven of dat sprake zal zijn van zelfrealisatie.

2.12.2. Ingevolge artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro, wordt, indien geen sprake is van onteigening, de inbrengwaarde vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. Voor gronden welke onteigend zijn of waarvoor een onteigeningsbesluit is genomen, of welke op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, is de inbrengwaarde gelijk aan de schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet, aldus dit artikellid.

2.12.3. De Afdeling overweegt dat uit artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro volgt dat slechts indien aannemelijk is dat onteigend zal worden dan wel gronden op onteigeningsbasis zullen worden verworven, de inbrengwaarde niet alleen bestaat uit de zogenoemde werkelijke of verkeerswaarde, vast te stellen overeenkomstig de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet, maar ook uit zogenoemde bijkomende schades, als te begrijpen in een schadeloosstelling in gevolge de onteigeningswet. Nu [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente zullen worden onteigend dan wel op onteigeningsbasis zullen worden verworven, heeft de raad op goede gronden de inbrengwaarden niet gebaseerd op een schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet.

Het betoog faalt.

Kosten van opheffing van de geurhindercontour

2.12.4. [appellant] en anderen voeren tot slot aan dat ten onrechte in de exploitatieopzet de kosten van verplaatsing van hun bedrijf niet zijn opgenomen.

2.12.5. De raad geeft aan bij de raming is uitgegaan van de volledige aankoop van het onroerend goed en reconstructie van het bedrijf elders, onder aftrek van de waarde van de woning, berging en cultuurgrond, waardoor per saldo de nettokosten als kosten van het opheffen van de milieuhinder zijn opgevoerd.

2.12.6. Ingevolge artikel 6.2.4, aanhef en onder d en e, van het Bro worden, voor zo ver hier van belang, tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten tweede, van de wet, gerekend de ramingen van, onder meer de kosten van het beperken van milieuhygiënische contouren en externe veiligheidscontouren met betrekking tot gronden buiten het exploitatiegebied.

2.12.7. De Afdeling stelt vast dat op de ingevolge artikel 6.2.4, van het Bro, op de in het exploitatieplan opgenomen kostensoortenlijst, onder meer een raming van de kosten als gevolg van het vrijmaken van de geurhindercontour, voor zover vallend over het plangebied, is opgenomen. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet tot deze raming heeft kunnen komen. Het betoog faalt.

Slotconclusie ten aanzien van het exploitatieplan

2.13. Het beroep, voor zo ver gericht tegen het exploitatieplan, is ongegrond.

PROCESKOSTENVERGOEDING

2.14. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Weert van 23 september 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laarveld 2009", gegrond;

II. vernietigt het onder I. omschreven besluit;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Weert van 23 september 2009 tot vaststelling van het exploitatieplan "Laarveld 2009", ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Weert tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Weert aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011

45-682.