Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201008235/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 22 januari 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing van het bestemmingspan en lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tuinhuisje/stal/zadelkamer (hierna: het tuinhuis) en het plaatsen van een berging voor tuingereedschap (hierna: de berging) op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008235/1/H1.

Datum uitspraak: 13 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 juli 2010 in zaak nr. 09/2695 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 22 januari 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing van het bestemmingspan en lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tuinhuisje/stal/zadelkamer (hierna: het tuinhuis) en het plaatsen van een berging voor tuingereedschap (hierna: de berging) op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college het besluit van 14 oktober 2009 gewijzigd in die zin dat de weigeringen ontheffing te verlenen worden ingetrokken en dat in plaats daarvan wordt geweigerd projectbesluiten te nemen.

Bij uitspraak van 7 juli 2010, verzonden op 8 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 14 oktober 2009 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door hem tegen het besluit van 15 december 2009 ingestelde beroep ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Buiten bezwaren van het college is de pleitnota van [appellant] in het geding betrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D. Wielstra-Veenstra, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is onderverdeeld in een gedeelte met de kadastrale aanduiding E 693 en een gedeelte met de kadastrale aanduiding E 694. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Niawier Kern", rust op kadastraal perceel E 693 de bestemming "Agrarische doeleinden" en op kadastraal perceel E 694 de bestemming "Woondoeleinden I".

2.2. De onjuiste aanduidingen in de aangevallen uitspraak waarop [appellant] wijst, te weten de verwijzing naar [naam] in plaats van naar [appellant], en de weergave van het kadastrale perceel E 693 als B 639, B 963 en B 693, betreffen kennelijke verschrijvingen, die niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kunnen leiden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de berging op het kadastrale perceel E 693 is gelegen. Volgens hem is het gelegen op het perceel E 694.

2.3.1. Het college heeft ter zitting een luchtfoto van het perceel getoond, waarop de kadastrale ondergrond van het gebied is geprojecteerd. Uit deze luchtfoto blijkt dat de berging op het perceel E 693 is gelegen. [appellant] heeft niet met concrete gegevens onderbouwd waarom deze conclusie onjuist zou zijn. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat de projectie van de kadastrale grenzen op de luchtfoto niet juist is, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college ervan uit mocht gaan dat de berging op het kadastrale perceel E 693 is gelegen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid kon weigeren ten behoeve van de bouwplannen een projectbesluit te nemen. Hij voert hiertoe aan dat uit onderzoek dat hij heeft verricht is gebleken dat de gronden waarop het perceel zich bevindt, feitelijk niet op een terp zijn gelegen, zodat het college ten onrechte rekening heeft gehouden met ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het al dan niet nemen van een projectbesluit behoort tot de bevoegdheid van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit al dan niet een projectbesluit te nemen.

2.4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college aan de weigering een projectbesluit te nemen niet alleen ten grondslag gelegd dat het de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden tracht te behouden, maar tevens dat het het open karakter van het buitengebied wil beschermen. Daarom wenst het, teneinde verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan, de lintbebouwing, waaraan kadastraal perceel E 693 aan een zijde grenst, niet te vergroten. De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat het college in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang bij het tegengaan van verdere verstening van het buitengebied dan aan het belang van [appellant] bij realisering van het bouwplan. Reeds daarom heeft de rechtbank, daargelaten in hoeverre ter plaatse cultuurhistorische waarden aanwezig zijn, terecht grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een projectbesluit te nemen. Dat omwonenden, zoals [appellant] onder verwijzing naar een lijst met handtekeningen heeft gesteld, geen bezwaar hebben tegen de bouwplannen, maakt de beslissing van het college evenmin onredelijk.

Het betoog faalt.

2.5. De rechtbank heeft voorts in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. In dit verband wordt overwogen dat de door [appellant] bedoelde situatie op het naast dat van hem gelegen perceel [locatie 2] te [plaats] niet zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan de bouwplannen. Ten aanzien van dat perceel heeft het college aangegeven dat de zich daar bevindende loods grotendeels binnen de bestemming "Woondoeleinden" is gebouwd, en dat de vergunning voor die loods is verleend onder de voorwaarde dat de overige op het perceel aanwezige schuren worden afgebroken. Van een rechtens gelijk geval is dan ook geen sprake. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.6. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de beantwoording van de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was krachtens artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college, wanneer het bevoegd zou zijn krachtens dat artikel ontheffing te verlenen, niet anders had geconcludeerd dan het heeft gedaan, omdat het hoe dan ook niet bereid is planologische medewerking te verlenen aan de bouwplannen. De rechtbank behoefde daarom in dit geval niet meer in te gaan op de vraag of het college bevoegd was ontheffing te verlenen. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011

457-619.