Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201009562/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het CBR aan [appellant] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009562/1/H3.

Datum uitspraak: 13 april 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2010 in zaak nr. 08/2399 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

(hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het CBR aan [appellant] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juli 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2011, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, voor zover thans van belang, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, besluit het CBR tot oplegging van een EMA indien betrokkene binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, van de Wvw 1994, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰.

2.2. Het CBR heeft aan de oplegging van de EMA artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling ten grondslag gelegd, omdat uit een mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten, unit Driebergen, van 13 november 2007 is gebleken dat bij [appellant] op 7 december 2003 en 26 oktober 2007 een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 310 µg/l onderscheidenlijk 380 µg/l. Ten aanzien van de constatering op 26 oktober 2007 is in die mededeling vermeld dat [appellant] die dag omstreeks 4:10 uur een ongeval heeft veroorzaakt met zijn auto. Bij het noteren van zijn persoonsgegevens riekte de inwendige lucht van [appellant] volgens de betrokken verbalisant naar alcohol. Vervolgens is [appellant] met een ambulance naar het Diakonessenhuis te Zeist vervoerd. Hij is dezelfde dag uit dat ziekenhuis ontslagen. Om 6:14 uur heeft voormelde verbalisant [appellant] ter plaatste bij het ziekenhuis aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed. Zijn ademalcoholgehalte bedroeg toen 380 µg/l.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 11 juli 2008 vernietigd, omdat het CBR in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft nagelaten een door [appellant] overgelegde brief van het Diakonessenhuis van 30 juni 2008, waaruit volgens hem blijkt dat hij ten tijde van het ongeval niet onder invloed van alcohol verkeerde, bij de heroverweging van het besluit van 15 februari 2008 te betrekken.

De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2008 in stand gelaten. Volgens de rechtbank is het, gelet op de bevindingen van de verbalisant direct na het ongeval, voldoende aannemelijk dat [appellant] ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Nu de ongeveer twee uur na het ongeval afgenomen blaastest een ademalcoholgehalte van 380 µg/l heeft uitgewezen, is het volgens de rechtbank eveneens aannemelijk dat hij met tenminste dit gehalte aan alcohol heeft gereden. Met voormelde brief van 30 juni 2008 heeft [appellant] volgens de rechtbank niet het tegendeel aannemelijk gemaakt. In het als bijlage bij die brief meegestuurde zogenoemde SEH-formulier is onder 'anamnese' vermeld: "geen alcohol gedronken." Omdat een anamnese alleen een weergave behelst van hetgeen [appellant] desgevraagd heeft medegedeeld, kan aan die mededeling geen doorslaggevende waarde worden toegekend, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2008 ten onrechte in stand heeft gelaten. Dat zijn adem ten tijde van het ongeval naar alcohol riekte, betekent volgens [appellant] niet dat hij zodanig onder invloed van alcohol verkeerde dat de wettelijke normen werden overschreden. Evenmin duidt het resultaat van de blaastest, gelet op het verschil in tijdstip tussen het ongeval en die test, erop dat hij met een alcoholgehalte van 380 µg/l heeft gereden. Volgens [appellant] heeft hij eerst na zijn ontslag uit het ziekenhuis met een paar vrienden op het parkeerterrein bij het ziekenhuis alcohol gedronken om te vieren dat het ongeval niet noodlottig was afgelopen. Op dat moment kon hij niet meer als bestuurder worden aangemerkt, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 1999 in zaak nr. H01.98.0261 (AB 1999, 164), terecht overwogen dat uit de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften niet voortvloeit dat het in artikel 8 van de Regeling genoemde ademalcoholgehalte moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorvoertuig. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200801682/1 komt de bevoegdheid tot het opleggen van een EMA het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat betrokkene onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van de Regeling een motorvoertuig heeft bestuurd. Daartoe is voldoende dat het aan de aanhouding en verbalisering ten grondslag liggende vermoeden dat daarvan sprake is geweest, wordt bevestigd door het daarop ingestelde onderzoek naar dat gehalte.

Uit de bevindingen van de betrokken verbalisant direct na het ongeval blijkt dat hij het vermoeden had dat [appellant] onder invloed van alcohol verkeerde. Dat vermoeden is bevestigd door de later bij het ziekenhuis afgenomen blaastest, waarbij een ademalcoholgehalte van 380 µg/l is geconstateerd. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat [appellant] met de door hem overgelegde brief van het ziekenhuis van 30 juni 2008 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van het ongeval niet onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van de Regeling een motorvoertuig heeft bestuurd.

Voorts doet de omstandigheid dat [appellant], naar hij stelt, in de periode gelegen tussen het ongeval en het ademalcoholonderzoek alcohol heeft gedronken, niet af aan de bevoegdheid van het CBR om een EMA op te leggen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2000 in zaak nr. H01.99.0491; LJN: AA5769). Deze door hem gevolgde handelwijze, waarmee hij zelf het risico heeft geschapen dat een betrouwbare vaststelling van het ademalcoholgehalte niet meer mogelijk was, brengt met zich dat een eventuele discrepantie tussen het gehalte tijdens het besturen en het gehalte ten tijde van de constatering voor zijn rekening en risico komt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de mededeling van 13 november 2007 blijkt dat de verbalisant [appellant], voordat hij naar het ziekenhuis werd vervoerd, heeft medegedeeld dat zijn inwendige lucht naar alcohol rook, zodat hij er redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen zijn dat hij wellicht later aan een ademalcoholonderzoek zou moeten meewerken.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling genoemde materiële vereisten is voldaan en dat aan [appellant] terecht een EMA is opgelegd. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2008 terecht in stand gelaten.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

176-611.