Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1036

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201008639/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3020, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2008 heeft het college een verzoek van [appellante] om een besluit van 13 maart 2006, waarbij afwijzend is beslist op een verzoek om vergoeding van planschade, te herzien, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008639/1/H2.

Datum uitspraak: 13 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/1923 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2008 heeft het college een verzoek van [appellante] om een besluit van 13 maart 2006, waarbij afwijzend is beslist op een verzoek om vergoeding van planschade, te herzien, afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op 28 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzing een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.2. Bij brief van 14 december 2004 heeft [appellante] de raad van de gemeente Eindhoven verzocht om vergoeding van de schade die zij door de planologische besluitvorming ten behoeve van het nieuwbouwproject Hoog Elzent zou hebben geleden. De raad heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) om advies gevraagd. De SAOZ heeft in een advies van oktober 2005 gesteld dat de planologische wijziging niet tot een waardevermindering van de woning van [appellante] heeft geleid. De raad heeft dat advies overgenomen en het verzoek om vergoeding van planschade bij besluit van 13 maart 2006 afgewezen. Dit besluit is rechtens onaantastbaar.

2.3. Bij brief van 29 september 2008 heeft [appellante] de verzocht de beslissing op haar verzoek te herzien. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705088/1 (LJN: BC6373) blijkt dat de SAOZ een onjuiste planologische vergelijking heeft gemaakt. Het college heeft dit verzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen, omdat zich, na het besluit van 13 maart 2006, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan. Het college heeft deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen. Zij voert daartoe aan dat het college, gelet op die uitspraak, in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om op het besluit van 13 maart 2006 terug te komen.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat uit die uitspraak niet blijkt van feiten of omstandigheden die tijde van het nemen van het besluit van 13 maart 2006 niet bekend waren of bekend konden zijn. Voor zover uit die uitspraak valt af te leiden dat (ook) het besluit van 13 maart 2006 op een onjuiste planologische vergelijking berust, laat dat volgens de rechtbank onverlet dat [appellante] zelf rechtsmiddelen tegen dat besluit had kunnen aanwenden, in welk kader zij de juistheid van de planologische vergelijking aan de orde had kunnen stellen. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2004 in zaak nr. 200304319/1 (LJN: AO6078).

De Afdeling onderschrijft dit oordeel. Dat in een andere procedure is gebleken dat de planologische vergelijking onjuist was, noopte het bestuursorgaan niet tot heroverweging van het onaantastbare besluit, nu [appellante] heeft verzuimd de passende mogelijkheid om dit aan de orde te stellen te benutten. Het betoog faalt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011

452.