Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201008634/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college een aanvraag van [belanghebbende] om een ligplaatsvergunning voor haar recreatieark aan de [locatie] te Aalsmeer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008634/1/H3.

Datum uitspraak: 13 april 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], als rechtsopvolger van [belanghebbende],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2010 in zaak nr. 09/2009 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college een aanvraag van [belanghebbende] om een ligplaatsvergunning voor haar recreatieark aan de [locatie] te Aalsmeer afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2010, verzonden op 26 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2011, waar [appellante], bijgestaan door J.H.P. Bezuijen, werkzaam bij Sofi Consultancy, en het college, vertegenwoordigd door drs. E. van der Klis en mr. S.C.H. Overwater-Fiedeldeij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Aalsmeer (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college binnen de gemeente ligplaats in te nemen of te hebben of toe te laten dat ligplaats wordt ingenomen met een vaartuig of vlot - hoe ook genaamd - dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon- of nachtverblijf van een of meer personen, alsmede een dergelijk vaartuig of vlot in aanbouw of een casco.

Tot 12 mei 2000 werden ligplaatsvergunningen voor recreatiearken op grond van de APV onbeperkt en onvoorwaardelijk afgegeven. Op 11 mei 2000 heeft het college een wijziging in dat beleid bekend gemaakt. Deze beleidswijziging houdt in dat met ingang van 12 mei 2000 geen nieuwe vergunningen als bedoeld in artikel 92 (thans: artikel 5.3.2) van de APV worden afgegeven. Dit besluit zal van kracht blijven tot het moment dat de raad van de gemeente Aalsmeer een standpunt heeft ingenomen over de (on)wenselijkheid van toename van het aantal recreatiearken in het Uiterweggebied. Alle ontvankelijke aanvragen die zijn ingekomen vóór 12 mei 2000 vallen niet onder deze beleidswijziging. De beleidswijziging ziet tevens niet op vergunningaanvragen die geen uitbreiding van het aantal recreatiearken in het Uiterweggebied impliceren.

Op 22 november 2002 heeft de raad de "Visie op Hoofdlijnen voor de bestemmingsplannen Uiterweg en Oosteinderweg" vastgesteld. Hierin is een maximum gesteld aan het aantal ligplaatsvergunningen voor recreatief gebruik en is tevens bepaald dat er geen uitbreiding van het aantal recreatiearken zal plaatsvinden.

Bij besluit van 7 december 2006 heeft de raad het bestemmingsplan "Uiterweg-Plasoevers 2005" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 3 september 2008 onherroepelijk geworden. Ter plaatse waar de in het geding zijnde recreatieark ligt, geldt de bestemming "Jachthaven I".

Volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder k, van de bestemmingsplanvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Jachthaven I" aangewezen gronden bestemd voor ligplaatsen voor woonschepen voor permanente bewoning en niet-permanente bewoning, met dien verstande dat het aantal woonschepen voor niet-permanente bewoning in de gemeente Aalsmeer niet meer mag bedragen dan 167.

2.2. [belanghebbende] heeft het college bij brief van 16 november 2007 verzocht de op 25 maart 1987 aan haar [echtgenoot] verleende ligplaatsvergunning voor de recreatieark opnieuw te activeren, dan wel een nieuwe ligplaatsvergunning voor die ark te verlenen. Het college heeft deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar de beleidswijziging om met ingang van 12 maart 2000 geen nieuwe ligplaatsvergunningen voor recreatiearken af te geven. Volgens het college was de in 1987 verleende ligplaatsvergunning geldig tot het einde van dat kalenderjaar en is deze nimmer verlengd. Dit heeft tot gevolg dat die vergunning is komen te vervallen en dat de aanvraag van 16 november 2007 moet worden opgevat als een nieuwe aanvraag voor een ligplaatsvergunning, waarvan de inwilliging zou resulteren in een uitbreiding van het aantal recreatiearken. Aangezien de aanvraag dateert van na de peildatum 12 mei 2000 is het in strijd met het beleid en het bestemmingsplan om een vergunning te verlenen, aldus het college. Voorts is volgens het college niet gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college op grond van het beleid in redelijkheid tot afwijzing van de aanvraag van [belanghebbende] heeft kunnen komen. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld. Daartoe voert zij aan dat het college op de hoogte was van de aanwezigheid van de desbetreffende recreatieark en het deze ark derhalve ten onrechte niet heeft meegeteld bij de ten behoeve van het bestemmingsplan uitgevoerde inventarisatie van het aantal recreatiearken. Voorts kan [echtgenoot] niet worden tegengeworpen dat hij de vergunning uit 1987 niet heeft verlengd, aangezien het college het in die vergunning toegezegde verlengingsformulier nimmer heeft toegestuurd, aldus [appellante].

[appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de beleidswijzing uit 2000 niet ziet op vergunningaanvragen die geen uitbreiding van het aantal recreatiearken in het Uiterweggebied tot gevolg hebben. De desbetreffende recreatieark ligt volgens haar reeds sinds 1960 in het Uiterweggebied, zodat het aantal recreatiearken feitelijk niet toe zal nemen indien ten behoeve van die ark een 168e vergunning wordt verleend.

2.3.1. In de vergunning uit 1987 is vermeld dat aan [echtgenoot] tot 1 januari 1988 vergunning wordt verleend om de desbetreffende recreatieark ligplaats te doen innemen. Tevens staat in die vergunning dat deze voor het volgend jaar kan worden verlengd door invulling en inzending van een formulier dat tegen het einde van het jaar zal worden toegezonden. Vaststaat dat deze verlenging niet heeft plaatsgevonden, zodat die ligplaatsvergunning is komen te vervallen. Dat het verlengingsformulier nimmer is toegezonden aan [echtgenoot] speelt hierbij geen rol van belang, aangezien het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zelf is om de vergunning tijdig te verlengen.

In 2004 heeft een inventarisatie plaatsgevonden van het aantal recreatiearken in Aalsmeer. Bij die inventarisatie is onderscheid gemaakt tussen arken die ligplaats innemen met vergunning en arken die ligplaats innemen zonder vergunning. Het aantal arken ten behoeve waarvan een ligplaatsvergunning is verleend is het uitgangspunt geweest voor het in het bestemmingplan opgenomen maximumaantal recreatiearken. Nu vaststaat dat de desbetreffende recreatieark sinds 1988 ligplaats heeft ingenomen zonder vergunning, is de stelling van [appellante] dat het college de desbetreffende ark ten onrechte niet heeft geschaard onder het maximumaantal toegestane recreatiearken, niet juist.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling, evenmin als de rechtbank, grond voor het oordeel dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het college de aanvraag van 16 november 2007 terecht heeft aangemerkt als een nieuwe aanvraag om verlening van een nieuwe ligplaatsvergunning voor recreatief gebruik. Deze aanvraag dateert van na de beleidswijziging uit 2000. Met de beleidswijziging is beoogd het aantal recreatiearken in het Uiterweggebied te bevriezen op het niveau van het aantal arken dat in 2000 in dat gebied ligplaats innam met een geldige ligplaatsvergunning. Het college heeft toegelicht dat de zin dat de beleidswijziging niet ziet op vergunningaanvragen die geen uitbreiding van het aantal recreatiearken impliceren, betrekking heeft op het feit dat verlenging en overschrijving van vergunningen mogelijk blijft, en dat deze zin niet kan worden geïnterpreteerd als een mededeling dat voor alle aanwezige arken zonder vergunning alsnog vergunning zou worden verleend. Deze uitleg is in overeenstemming met de achtergrond van de beleidswijziging. Dat het aantal recreatiearken feitelijk niet toe zal nemen door vergunningverlening ten behoeve van de desbetreffende ark is gelet op voormeld uitgangspunt van het beleid niet van belang. Er bestaat daarom, anders dan [appellante] betoogt, geen grond voor het oordeel dat de beleidswijziging niet van toepassing is op de aanvraag van 16 november 2007.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat vergunningverlening in strijd zou zijn met het beleid, omdat dit zou leiden tot een uitbreiding van het aantal ligplaatsvergunningen en het maximum van 167 vergunningen reeds is bereikt. Nu voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van dat beleid rechtvaardigen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid tot afwijzing van de aanvraag heeft kunnen komen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

176-611.