Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
201001619/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2009, nummer 7, heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluherziening verbod wonen in bijgebouwen 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001619/1/R2.

Datum uitspraak: 13 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RT Vastgoed B.V., gevestigd te Renkum, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Renkum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009, nummer 7, heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluherziening verbod wonen in bijgebouwen 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben RT Vastgoed en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2011.

2. Overwegingen

2.1. De parapluherziening sterkt ertoe aan alle in de gemeente geldende bestemmingsplannen een verbodsbepaling op wonen in een bijgebouw toe te voegen. Daartoe voorziet de parapluherziening onder meer in artikel 2 van de planregels, dat bepaalt dat onder een strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het gebruik van bijgebouwen voor (zelfstandige) bewoning.

2.2. RT Vastgoed en anderen vrezen dat door de inwerkingtreding van de parapluherziening het algemeen gebruiksverbod van artikel 7.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is gaan gelden voor hun gronden in het plangebied van het op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) tot stand gekomen bestemmingsplan "Nieuweweg en omgeving 1995".

2.3. Op 1 juli 2008 zijn de Wro en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp voor dat tijdstip ter inzage is gelegd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200708557/1 is met artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro beoogd dat een bestemmingsplan dat op grond van de WRO tot stand is gekomen het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat zolang de termijnen als bedoeld in artikel 9.1.4, derde en vierde lid, van de Invoeringswet Wro nog niet verstreken zijn, de vaststelling onder de procedure van de Wro van een partiële herziening van een bestemmingsplan dat op grond van de WRO tot stand is gekomen niet met zich brengt dat artikel 7.10, eerste lid, van de Wro alsnog van toepassing wordt op zo’n plan, indien en voor zover die partiële herziening alleen betrekking heeft op een deel van de plankaart, dan wel een deel van de voorschriften dan wel een combinatie van die twee.

2.4. De parapluherziening heeft alleen betrekking op een deel van de voorschriften van op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplannen. Ten tijde van de vaststelling van de parapluherziening waren de termijnen als bedoeld in artikel 9.1.4, derde en vierde lid, van de Invoeringswet Wro voorts nog niet verstreken. Gelet op deze omstandigheden heeft de vaststelling van de parapluherziening niet met zich mee gebracht dat artikel 7.10, eerste lid, van de Wro, dat op dat moment nog gold, van toepassing werd op de op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplannen, waaronder het bestemmingsplan "Nieuweweg en omgeving 1995". De vrees van RT Vastgoed en anderen mist derhalve feitelijke grondslag.

2.5. In hetgeen RT Vastgoed en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011

589.